Een literaire canon is niet van deze tijd, we kunnen ons beter druk maken om de leescultuur

Het is onzin om te willen dat iedereen dezelfde boeken leest. Dat is een achterhaalde discussie. We kunnen er beter over praten hoe we ervoor zorgen dat er überhaupt gelezen wordt – op veel scholen is de leescultuur verdwenen en heerst een uitgesproken anti-intellectueel klimaat.

`Canon' is Grieks voor rietstok. De richtlat van bouw- en timmerlieden werd canon genoemd, in de muziekleer van Euclides wordt het monochord (een eensnarig instrument) ermee aangeduid. Pas ten tijde van de eerste grote expansie van het christendom, omstreeks 350, krijgt het woord de overdrachtelijke, tot op heden gebruikelijke betekenis van alle officieel erkende (bijbel)boeken waarin de normatieve grondregels voor een deugdzaam leven zijn vastgelegd. ,,In het verlengde hiervan,'' aldus de Toelichtingen bij de Nieuwe Bijbelvertaling, ,,is met de canon bedoeld: de lijst met heilige boeken die de kerk erkent als goddelijk geïnspireerd en die de zuivere geloofsregels bevatten.''

Het lijkt me nuttig aan deze vroege geschiedenis van het woordgebruik te herinneren nu de discussie over `de canon' afgelopen voorjaar weer is losgebarsten, heviger en vaak onbesuisder dan ooit, en ditmaal waarschijnlijk ook, naar valt te vrezen, met praktische gevolgen. Die gevolgen betreffen vooral het onderwijs.

In opdracht van minister Van der Hoeven moet een commissie onder leiding van de mediaevist Frits van Oostrom in september 2006 met een plan komen dat de verplichte onderdelen van het geschiedenisonderwijs vastlegt. Daarnaast ijveren letterkundigen – niet in opdracht van de minister – voor de invoering van een literaire canon voor het middelbaar onderwijs. Daarbij gaat het niet om belangrijk geachte hoofdstukken uit de literatuurgeschiedenis maar om boeken: welke boeken moet een scholier in elk geval lezen voor het vak literatuur, al of niet als onderdeel van het vak Nederlands.

Beide discussies worden vaak in één adem genoemd, ten onrechte. De canon voor literatuur mag die naam voeren, die voor geschiedenis eigenlijk niet. Die laatste betreft immers geen normatieve historische studies of overzichtswerken, geen pareltjes uit de geschiedwetenschap, maar gebeurtenissen, belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis zelf, los van enige interpretatie. De historici Piet de Rooij en Jan Bank hebben een idee gegeven van wat we daaronder kunnen verstaan, in het Historisch Nieuwsblad werken ze sinds een half jaar in elke aflevering een van hun tien hoogtepunten uit. Maar een inventarisatie van cruciale gebeurtenissen heeft niets met een canon te maken. Het gaat om niet meer dan een lesprogramma.

Dat ook sommige politici ineens op de bres staan voor dat geschiedenisonderwijs is verdacht: zij hebben zelf actief of passief meegewerkt aan het om zeep helpen van de humaniora. Over de motieven van hun historische belangstelling hoeft niet voorzichtig gespeculeerd te worden, ze lopen er zelf mee te koop. Niet om kennis of vorming is het hen te doen, maar om het versterken van het nationale gevoel, ja de nationale trots. Onze kinderen zouden zich vooral in de heldendaden van Michiel de Ruyter en Johan Cruyff moeten verdiepen om zich weer echte Nederlander te voelen.

Geschiedenisonderwijs als legitimatie van onze westerse superioriteit – het historische besef van Van Aartsen cum suis reikt waarschijnlijk niet ver genoeg om te weten dat zij hiermee de Sovjetrussische volkspedagogiek, in 1989 jubelend naar de mestvaalt van de geschiedenis verwezen, in een ander, neoliberaal jasje binnenhalen. Deze politici gebruiken het woord canon terecht: ze willen geen waardevrije, neutrale bestudering van de geschiedenis, maar een reeks normatieve visies ter bevordering van de vaderlandsliefde. Het zou goed zijn als de commissie-Van Oostrom zich nadrukkelijk distantieert van deze ideologisering van het onderwijs. En ook als ze het begrip canon minder lichtzinnig zou gebruiken. Liever zelfs helemaal niet.

Dat zoveel mensen weer naar een canon verlangen mag symptomatisch zijn voor de culturele verwarring die mensen zeggen te ervaren, het is niettemin een hoogst dubieus, want restauratief verlangen. Een canon hoort thuis in een gesloten, hiërarchische samenleving waarin het volk met doctrinaire middelen wordt ingepeperd welke gedachten het erop na moet houden en welke niet. Voor de vroege christenen, verdeeld als ze in geografische, etnische en `wereldbeschouwelijke' zin waren, speelde de canonisering van de voor hen belangrijk geachte geschriften een essentiële rol in de homogenisering van lokale en regionale verschillen.

Zonder een dergelijke voor alle christenen geldende boekenlijst, nadien handzaam aan de man gebracht in één band, het boek, ofwel bijbel geheten, zou het imperium romanum van katholieke snit zich nooit tot Europese godsdienst hebben kunnen ontwikkelen, laat staan tot de godsdienst die beslissende enthousiasmerende impulsen zou geven aan de overzeese missionaire projecten uit de vroegmoderne tijd, die als het begin van de globalisering gezien mogen worden. Maar de Verlichting, uit naam waarvan onze nationalistische canonpropagandisten denken te spreken, begon juist met een kritiek op de bijbelse leerstelligheid.

Elk gebod creëert zijn eigen overtreders, zijn dissidenten en zijn vijanden. Het ligt daarom voor de hand dat er, behalve een lijst met verplichte boeken, ook ooit een lijst met verboden boeken moest komen. De Index librorum prohibitorum is de natuurlijke bondgenoot van de canon zoals het politionele en militaire kerkelijke apparaat dat verspreiders van dwaalleren in het gareel moest dwingen, het logische verlengstuk is van de vrome, zelfbenoemde vertegenwoordigers van God op aarde.

De eerste editie is van 1559, uit de tijd van het Concilie van Trente, waarmee het offensief tegen de Reformatie op volle kracht werd ingezet. In de loop der eeuwen is de lijst uitgegroeid tot een indrukwekkende verzameling briljante geschriften; vrijwel niemand die voor de Europese cultuurgeschiedenis van belang is geweest, blijkt aan het op afwijkingen getrainde oog van de Index-bewakers te zijn ontsnapt. Er hoeven niet veel namen of titels te worden toegevoegd of afgevoerd om te beschikken over een complete canon van de Europese literatuur en filosofie die staat als een huis.

Dat laatste is ook weer niet zo gek: waar het kwaad eenduidig is gedefinieerd, ligt het voor de hand dat vrijgeesten ermee gaan dwepen, dat ze zich tooien met de bloemen van het kwaad. Een ontzagwekkend domein van mogelijkheden, van reizen, studies en andere projecten, opende zich voor de blik van hen die eenmaal de moed hadden opgebracht zich aan alle canonieke dictaten te onttrekken. De moderne literatuur, inclusief de moderne mens- en maatschappijwetenschappen, is ondenkbaar zonder die stormloop op de canon. Bij velen gebeurt dat expliciet – zo heet een dichtbundel van Lucebert apocrief en een bloemlezing uit de internationale avant-gardepoëzie van Sybren Polet Door mij spreken verboden stemmen –, impliciet teert elk literair of denkexperiment op een anticanonieke impuls. En nu we ook de bijbel in gedecanoniseerde staat kunnen lezen, dus als literatuur, blijkt pas hoe rijk, wonderlijk, wreed en raadselachtig die verhalen en gedichten eigenlijk zijn.

Het modernisme is uiteindelijk niets anders dan een kruistocht tegen alles wat een omvattende of fundamentele zin belooft, al is het op het onbewuste niveau van de grammatica. Nietzsches `Ich fürchte, wir werden Gott nicht los, weil wir noch an die Grammatik glauben', is de meest compacte formulering van wat de literaire en filosofische avant-garde bezielde. Niet alleen alle verboden lagen onder vuur, ook alle vanzelfsprekendheden moesten eraan geloven, want juist daarin huisden de subtielste en meest deprimerende verslavingen.

Inmiddels is de beeldenstorm van het modernisme geluwd en leven we in de fase van de postmoderne ontnuchtering. Gebleken is dat we zelfs de radicaalst antimetafysische gedachte alleen kunnen formuleren dankzij de grammatica, dus in zinnen, hoe excessief of (bewust) onwelgevormd dan ook; niettemin kunnen we niet meer terug naar de tijd waarin alle twijfels over wat ons motiveerde, wat we hoopten en wat we vreesden, per decreet konden worden verdonkeremaand.

Heeft het in deze context nog zin om over een canon te spreken? Ik zou denken van niet. Niemand is in de positie om voor te schrijven wat er gelezen of hoe er geleefd moet worden, de figuur van de oppercriticus of oppercensor kennen we alleen uit dictaturen. Er is ook niemand die met een goed geweten naar die functie zou kunnen solliciteren, want wie kan er zoveel lezen dat hij de gehele literatuur, of desnoods alleen de Nederlandstalige, werkelijk kan overzien? En vooral: wie denkt in staat te zijn in die ontzagwekkende hoeveelheid boeken een eenduidige, voor alle bewoners van de republiek der letteren aanvaardbare hiërarchie aan te brengen?

Elke poging tot een nieuw canonontwerp maakt de onmogelijkheid daarvan duidelijk. Er ontstaat altijd onmiddellijk trammelant, het regent tegenontwerpen en ingezonden brieven. Waarom die wel en die niet? Te weinig vrouwen! Waar zijn onze allochtone auteurs, waar de columnisten, waar de Vlamingen? Zoveel stemmen, zoveel zinnen niet verwonderlijk dat elke canondiscussie verzandt in een kakofonie van verontwaardigde geluiden waarvan ook de meest door de wol geverfde polderaar niets symfonisch kan maken.

In NRC Handelsblad van 5 maart stond een artikel van drie specialisten waarin een beargumenteerde canon van de Nederlandse literatuur wordt bepleit. Maar alleen de titel van dit stuk volstaat om de geloofwaardigheid van deze onderneming met kracht te ondermijnen: `Dit zijn de boeken die iedereen gelezen moet hebben'. Die pretentie getuigt, vriendelijk gezegd, van een niet geringe wereldvreemdheid. De afstand tussen wens (`boeken die iedereen gelezen moet hebben') en realiteit (het feit dat het aantal vrijwillige lezers van het merendeel van deze boeken in promillen van de bevolking kan worden uitgedrukt) is zo immens dat je hier gerust van een utopisch ontwerp in de naïefste zin van het woord mag spreken.

Is het de samenstellers ontgaan dat er op de scholen, waarvoor die lijsten toch primair bedoeld zijn, nauwelijks meer gelezen wordt? Denken zij echt dat deze boeken die iedereen gelezen moet hebben, ook voor iedereen toegankelijk zijn? Het zou al heel wat zijn als ze erin zouden slagen hun lijst ingevoerd en dus ook serieus getentamineerd te krijgen op de diverse universitaire instituten waar de drie auteurs zelf werkzaam zijn.

Ter voorkoming van misverstanden is een tussenopmerking wellicht noodzakelijk. Als student Neerlandistiek heb ik indertijd vrijwel alle boeken van het historische gedeelte van de NRC-lijst gelezen, en met genoegen. Later, als criticus en essayist, heb ik over flink wat van de gecanoniseerde boeken uit de twintigste eeuw geschreven, zonder uitzondering met instemmend enthousiasme. Met onvrede over de geprefereerde titels hebben deze kritische kanttekeningen dus niets te maken, mijn bezwaren zijn van principiële aard.

Ook voor de indrukwekkendste lijst geldt dat het toeval regeert. Voor vrijwel alle genoemde boeken van na de tweede wereldoorlog kan ik een trits andere titels noemen van soortgelijk belang. Rachels rokje (Mutsaers) is me weliswaar lief, maar waarom niet, uit dezelfde, min of meer experimentele categorie, Het boek alfa (Michiels), Mannekino (Polet), Weerwerk (Schierbeek), Het verkoolde alfabet (De Wispelaere), De Poolse vlecht (Ritzerfeld), Ranonkel (Hamelink), De beren van Churchill (Ten Berge), Eerste indrukken (Schippers), Boy (Bernlef), De dood als meisje van acht (Vogelaar), Gesloten huis (Matsier) of De Gele rivier is bevrozen (Pleysier)? Die vraag is in mijn eigen hoofd niet eens ondubbelzinnig beantwoordbaar, laat staan dat daar onder de verzamelde vakgenoten consensus over te bereiken zou zijn. Over een en hetzelfde 'belangrijke' boek oordelen ook critici, toch de meest gespecialiseerde lezers, nu eenmaal vaak zeer uiteenlopend. Het vaststellen van een canon is onbegonnen werk, de discussie erover zou eindeloos zijn.

Nu is dat ook precies waar het Maarten Doorman, een van de belangrijkste pleitbezorgers van een literaire canon, om begonnen lijkt. Daarom lanceert hij het begrip 'open canon', een canon die de stand van een discussie op een bepaald moment weergeeft. Maar een open canon is een monstrum, zoiets als een pacifistische generaal. Een echte canon – zie de ontstaansgeschiedenis van de bijbel – is nu net bedoeld om aan alle onduidelijkheid een einde te maken, definitief, dit zijn de boeken die iedereen gelezen moet hebben en waar men zich aan te houden heeft.

Dat de discussie moet doorgaan, spreekt vanzelf, maar dat gebeurt sowieso. En dat er grote, in elk geval tegenover vakgenoten beredeneerbare kwaliteitsverschillen bestaan tussen boeken, is ook evident, maar wat zou het een saaie boel worden als iedereen alleen nog maar de boeken ging lezen `die iedereen gelezen zou moeten hebben'. Hoeveel minder ambitieuze, kleinere, gekkere, qua genre moeilijk te categoriseren maar daarom niet minder aangename of interessante boeken zouden er ongelezen blijven! Doodjammer zou het zijn als niemand meer naar De aaibaarheidsfactor van Kousbroek zou talen, of naar Zwart als inkt van Wim Hofman, dat eigenlijk een kinderboek is, of naar de gedichten van Willem Wilmink, die misschien wel tot de smartlappen gerekend moeten worden. Nee, zulke lijsten die de argeloze lezer naar een paar klaar liggende stapeltjes boeken op een pronktafel lokken zijn er al meer dan genoeg. Weg ermee dus.

De canoncommissie van Van Oostrom wordt gemotiveerd door zorg om het niveau van het geschiedenisonderwijs. Die zorg is terecht. Maar als men vindt dat alle leerlingen een minimum aan historische kennis zouden moeten opdoen (en niet het kwart van hen dat nu geschiedenis in het pakket heeft) zijn heel andere maatregelen vereist. Het zou mooi zijn als Dokkum, Dorestad en Den Briel de juiste vaderlandslievende reflexen zouden uitlokken, maar het probleem ligt dieper en is van fundamenteler aard.

Het probleem is dat scholen niet langer centra van vorming en ontwikkeling zijn. Scholen staan onder een permanente stress om cijfers af te leveren, bij voorkeur voor `presentaties' en andere glanzende collages van doorzichtig internetjatwerk. Computers te over, bibliotheken verstoffen in hoog tempo. Op de meeste scholen heerst een anti-intellectualistisch klimaat, de leescultuur is er de facto afgeschaft. Het probleem is niet zozeer dat het gros van de leerlingen liever Giphart leest dan W.F. Hermans, het probleem is dat ze liever helemaal niets lezen. En dat kun je ze nauwelijks kwalijk nemen, de leraren lezen ook niet. Zelfs jonge docenten hebben er vaak een uitgesproken hekel aan. Buitenstaanders hebben er geen idee van hoezeer de ongeletterdheid binnen de scholen is opgerukt, de mensen die het kunnen weten houden wijselijk hun mond.

Met de invoering van een lijst verplichte boeken is nog niets gewonnen. Als die boeken van enig kaliber zijn, zullen scholen de hand lichten met de verplichting, zoals er nu al op grote schaal bedrog gepleegd wordt met de vakken waarvoor nu eenmaal flink gelezen moet worden. Boeken zijn al gauw te moeilijk, en zoals bekend voedt het onvermogen de weerzin. En omgekeerd. Dus passen de scholen zich aan, onvoldoendes voor zulke in wezen nutteloze vakken kunnen zij zich met het oog op de concurrentie niet permitteren.

Alleen als scholen hun vormende taak weer serieus (moeten) gaan nemen, en dus alles op alles zullen zetten om weer zoiets als een leescultuur in het leven te roepen – niet speciaal en zelfs niet in de eerste plaats voor literatuur, kinderen moeten de smaak van het lezen als zodanig te pakken krijgen, of nog liever en algemener: hun nieuwsgierigheid moet gevoed! - alleen dan kan het tij misschien nog ooit, heel langzaam, gekeerd worden. Maar daarvoor is een langetermijnvisie op het hele onderwijs noodzakelijk. Wat in al die jaren is afgebroken kan niet zomaar hersteld worden, dat kost vele jaren. Er zullen veel zwaardere eisen gesteld moeten worden aan de lerarenopleidingen, alles staat of valt met het niveau van de docenten. Het invoeren van een canon is ridicuul als daar boeken op staan waarvan een groot deel van de literatuurdocenten nog nooit gehoord heeft.

Cyrille Offermans

Schrijver en essayist. Zijn laatste publicatie is `Ver van huis. Denken in beweging' (2003), over de moderne intellectueel.

    • Cyrille Offermans