Bouwen in stroomvoerend deel winterbed is taboe

Het al dan niet bouwen in de uiterwaarden van de grote rivieren geeft steeds aanleiding tot (spraak)verwarring (NRC Handelsblad, 1 september). Een rivier wordt waterstaatkundig onderscheiden in het zomerbed (de gewone stroomgeul), het stroomvoerende en het waterbergende winterbed ( het gebied ter weerszijden van het zomerbed: de uiterwaarden). Bij grote waterafvoer komt het water ook in het winterbed. In het zomerbed stroomt het water het snelst. Aan weerszijden neemt de stroomsnelheid af. Aan de uiterste zijden van het winterbed is de stroming niet meer van belang voor de hoogwaterafvoer. Het winterbed dient daar alleen als waterberging en heet derhalve waterbergend winterbed. Woningen kunnen er vanuit waterstaatkundig oogpunt dan ook gerust gebouwd worden. Die lopen gewoon vol met water en vormen geen substantieel bezwaar voor de waterberging. Voor hoogwatervrij bouwen moeten ophogingen worden gemaakt. Omdat deze een belemmering zijn voor de waterberging, wordt daar in beginsel geen vergunning voor verleend. De meeste winterbedden zijn nl. vanuit waterbergingsoogpunt al vol wat bebouwing betreft. Incidenteel kan vergunning worden verleend voor infrastructurele werken die de waterberging beperken, maar alleen wanneer elders in het winterbed, bijvoorbeeld door ontgravingen, compensatie kan worden verleend.

Daarom kan wél toestemming worden verleend voor de bouw van woonhuizen e.d. in het waterbergend winterbed, maar in beginsel niet voor het maken van (hoogwatervrije) ophogingen. Recentelijk ging het om bouwen op reeds bestaande watervrije ophogingen waarvoor reeds compensaties zijn gemaakt, dan wel nog aanvullende compensaties gemaakt zullen worden. Bouw van woningen in het stroomvoerende deel van het winterbed lijkt mij uiteraard nog steeds volkomen taboe.

    • O.L.E. Jongmans