Volleyballers moeten keuze maken

De Nederlandse volleyballers moeten het Bankrasmodel weer invoeren om de grote ambities te kunnen waarmaken. Een alternatief is er niet.

Het Nederlands mannenvolleybalteam beleeft slechte tijden. Nadat in twee kwalificatietoernooien plaatsing voor het wereldkampioenschap van 2006 in Japan werd verspeeld, is dezer dagen de deceptie compleet door louter nederlagen bij het Europees kampioenschap in Belgrado, het slechtste resultaat sinds 1981.

Dieper kan de olympisch kampioen van 1996 niet zinken. Is dat erg? Geenszins. Het is alleen tijd voor bezinning.

Hoe verder? Voor de spelers zijn er twee opties: of de clubs krijgen de prioriteit of er volgt een onvoorwaardelijk keuze voor de nationale ploeg. Wordt voor de clubs gekozen dan keert Nederland niet terug bij de beste acht landen van de wereld. Een legitieme opvatting die past bij gelimiteerde ambities. En een status die overeenkomt met het niveau van de huidige internationals.

De kwaliteit van een nationale volleybalploeg is af te meten aan het aantal spelers in de Italiaanse competitie, de sterkste ter wereld. Veelzeggend: van de huidige selectie spelen alleen de middenspelers Rob Bontje en Wytze Kooistra in Italië, de rest in Nederland, België, Frankrijk of Oostenrijk.

Vergelijk dat met de ploeg die in 1996 in Atlanta olympisch kampioen werd. Peter Blangé, Ron Zwerver, Henk-Jan Held, Jan Posthuma, Olof van der Meulen en Bas van de Goor speelden destijds bij Italiaanse topclubs. Van de generatie die daarop volgde, nam dat aantal af. Door het trio `Italiaanse' internationals – Reinder Nummerdor, Richard Schuil en Guido Görtzen – werd een vrije val voorkomen, al deed Nederland bij kampioenstoernooien niet meer mee om de medailles. Een positie op de wereldranglijst tussen de vijfde en achtste plaats behoorde nog wel tot de mogelijkheden.

Zo lang de belangrijkste Nederlandse volleyballers in de Benelux blijven uitkomen, wordt de nationale ploeg niet beter dan nu. Nederlandse en Belgische clubs spelen in te zwakke competities om topspelers voort te brengen. Een enkele Europa-Cupwedstrijd kan die achterstand niet compenseren. Een neveneffect is dat Nederlandse spelers ook niet meer in aanmerking komen voor een transfer naar Italië. Daar zijn ze gewoon niet goed genoeg voor.

Maar hoe raken Italiaanse clubs weer geïnteresseerd in Nederlandse spelers? Heel eenvoudig: zij moeten het clubvolleybal de rug toekeren en kiezen voor een fulltime bestaan als international. Alleen dagelijkse trainingen in combinatie met een zwaar internationaal programma bieden binnen de Nederlandse verhoudingen uitzicht op succes.

Na een investering van enkele jaren kan een speler dan `cashen' met een lucratief contract in Italië, waar hij op het vereiste niveau blijft spelen en er bij de nationale ploeg een plaats vrijkomt voor de opleiding van een nieuw talent. Een cyclus waarbij succes (bijna) gegarandeerd is, zo is de afgelopen twintig jaar bewezen. Het Nederlands team dankt de successen aan het Bankrasmodel, genoemd naar de Amstelveense sporthal waar de nationale ploeg in de jaren tachtig als zelfstandig team trainde; elke andere werkwijze heeft niet tot het gewenste resultaat geleid.

Hoezeer de Nedelandse clubs ook zullen protesteren, het Bankrasmodel moet terugkeren wilen de spelers, bondscoach Harry Brokking en de Nederlandse Volleybal Bond (NeVoBo) hun ambities kunnen waarmaken.

Als Brokking inderdaad over het talent beschikt waar hij zo hoog van opgeeft, moet hij de afgang van het Europees kampioenschap gebruiken als breekijzer. Hij moet de spelers dwingen tot het maken van een keus voor topsport. Geld is dan van later zorg. Eerst moeten coach en spelers zich onvoorwaardelijk uitspreken voor een nieuw Bankrasmodel. Als dat fundament is gelegd, kan een nieuw huis worden gebouwd.

    • Henk Stouwdam