Virus biedt hoop

Zen-adepten houden zich nauwelijks bezig met informatietechnologie. Jammer, want een huwelijk tussen Zen en computer kan veel moois opleveren. Een computercrash kan dan een bevrijding zijn.

Iedereen die wel eens achter een computer zit kent die momenten van frustratie: de computer doet niet wat jij wilt. En soms wordt die frustratie intens, wanneer het besturingsysteem van de computer `vastloopt' en uren werk in een digitaal zwart gat verdwijnen. Vooral gebruikers van de oudere versies van Windows werden regelmatig opgeschrikt door de onverwachte verschijning van een onheilspellend blauw scherm met de tekst `fatal system error'. Dergelijke ervaringen leren hoe verstandig het is regelmatig een backup van je werk te maken, maar het is een onverbiddelijke computerwet dat het noodlot juist toeslaat op die momenten dat je dat – bijvoorbeeld omdat je haastig probeert een klus te klaren – vergeet te doen. Op dergelijke momenten kalm blijven, vereist een sereniteit van geest die doorgaans slechts na jarenlange meditatie wordt verkregen.

Enige tijd geleden zond iemand mij een berichtje uit een Amerikaans internettijdschrift toe, waaruit bleek dat daarop zelfs in Japan niet meer kan worden vertrouwd. Het bericht luidde dat Sony in haar notebooks voor de thuismarkt de onpersoonlijke Windows foutmeldingen had vervangen door haiku's die de gebruiker moesten helpen hun geestelijke sereniteit te bewaken. Wanneer het systeem vastloopt, krijgt de gebruiker bijvoorbeeld te lezen:

A file that big?

It might be very useful

But now it's gone.

Een korte zoekactie op Google leerde dat mijn vermoeden, dat het hier een grap betrof, juist was. De haiku's bleken inzendingen voor een prijsvraag die was uitgeschreven door het Amerikaanse cultuurtheoretische tijdschrift Salon, en die door een grappenmaker waren verwerkt in een fake persbericht. Dat ik toch even twijfelde, was te wijten aan het feit dat dit soort humor perfect past in de anarchistische traditie van het Zen-boeddhisme.

De grap roept de vraag op of er daadwerkelijk zoiets bestaat als een Zen-Boeddhistische weg van de informatie- en communicatietechnologie (ICT). Toen ik daarnaar op zoek ging, viel het me op dat de aandacht in Zen-kringen voor ICT tamelijk gering is in vergelijking met de traditionele wegen van de thee, het bloemschikken, het kalligraferen van haiku's, het trefzeker penselen van bebloesemde bergtoppen en het boogschieten. Philip Toshio Sudo's Zen Computer uit 1999, waarin de auteur Zen uitlegt aan de hand van de computer en de computer aan de hand van Zen, blijft een uitzondering.

Dat is vreemd, aangezien Zen als geen andere levensbeschouwing is gericht op de werkelijkheid van alledag, meer in het bijzonder nog op alledaagse, vaak banale handelingen. En hoewel we de banaliteit van het theedrinken of het bloemschikken geenszins mogen onderschatten, kan toch worden vastgesteld dat hedentendage de handelingen die we achter de computer verrichten bij uitstek tot die categorie behoren.

De situatie doet denken aan wat Robert M. Pirsig opmerkt in zijn autobiografische roman Zen en de kunst van het motoronderhoud. Het valt hem op dat er onder degenen die zich verzetten tegen het politieke systeem, de consumptie-economie en de massacultuur van het westen een diepgewortelde afkeer, ja vaak zelfs haat bestaat jegens de moderne technologie. Hoewel hij zich verwant voelt met de vertegenwoordigers van wat in die tijd de `tegencultuur' werd genoemd (mede omdat deze net als Pirsig vaak haar inspiratie zocht in oosterse religies en wereldbeschouwingen), is hij van mening dat zij zich ,,met hun vlucht voor en haat tegen techniek een rad voor ogen draaien''. Pirsig schrijft: ,,De Boeddha zetelt met evenveel gemak in het circuit van een digitale computer of de tandraderen van een versnellingsbak van een motor als op de top van een berg of in de blaadjes van een bloem. Als je er anders over denkt is dat een belediging van de Boeddha – wat neerkomt op het beledigen van jezelf.''

Pirsig velde zijn oordeel over de technofobie van de tegencultuur dertig jaar geleden. Maar ook in de hedendaagse `tegencultuur' – te denken valt aan de milieubeweging en de antiglobalisten – is nog steeds veel techniekvijandigs te beluisteren. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Ik denk dan aan bewegingen als die van de techno-sjamanen, de cyber-spiritualisten en de zippies (Zen Inspired Professional Pagans).

Het is niet toevallig dat veel van deze stromingen hun bakermat hebben in Californië, het thuisland van zowel de counter culture als de computerindustrie. Deze aan new age verwante bewegingen (soms samengevat onder de naam new edge), trachten informatie- en communicatietechnologieën en oosterse vormen van spiritualisme te verenigen. Zij wijzen informatietechnologieën niet alleen niet af, maar propaganderen deze als middel om Verlichting te bereiken. Ze maken daartoe gebruik van onder meer psycho-actieve software en brainmachines.

Breinmachines zijn kleine computers die door middel van licht- en geluidsimpulsen de zintuigen en de corresponderende hersenactiviteit van de gebruikers stimuleren. Ze zijn daartoe uitgerust met een bril met een aantal kleine lampjes en een koptelefoon. Wanneer de gebruiker deze opzet en een programma start wordt hij of zij gedurende een bepaalde tijd blootgesteld aan licht- en geluidsimpulsen met een bepaalde frequentie waardoor er een trance-toestand optreedt die vaak gepaard gaat met kleur- en contrastpatronen. Wie wel eens een rave bezoekt, kent het effect.

Het verschijnsel is niet nieuw. Al vele eeuwen wordt deze techniek toegepast door sjamanen en andere priesters, die zich daarvoor onder andere laten meevoeren door het repeterende geluid van trommels en/of door gespaakte wielen naar de zon kijken, waardoor er zich pulserende lichteffecten voordoen. Sinds de jaren dertig van de vorige eeuw wordt dit als entrainment aangeduide verschijnsel ook in de westerse wetenschap bestudeerd.

Neurofysiologen die proefpersonen blootstelden aan stroboscopisch licht en de opgewekte hersenactiviteiten registreerden met een elektro-encefalograaf (EEG), ontdekten dat hersengolven de neiging hebben de frequentie van de aangeboden stimuli over te nemen. Ze merkten ook op dat de frequentie samenhangt met het bewustzijnsniveau. Iemand die wakker en actief is, vertoont hoogfrequente `bèta-golven' met kleine verschillen in sterkte. Wie ontspannen is, nergens aan denkt of bijna in slaap valt, geeft de minder snelle, maar sterkere alpha-golven te zien. De nog tragere thèta- en delta-golven horen bij de diepe en de droomloze slaap.

Ook oosterse meditatietechnieken bleken van invloed op de hersengolven te zijn. Bij een geoefende mediteerder zakt de frequentie van de hersenactiviteiten van het normale bèta-niveau naar het alpha- of thèta-niveau, terwijl zeer ervaren yogi zich zelfs ophouden in het deltagebied, wat overeenkomt met een staat van volkomen bewusteloosheid.

Geïnspireerd door dit onderzoek bouwde de schrijver-kunstenaar William Burroughs in de jaren zestig eigenhandig een dreammachine om op elektronische wijze een meditatieve toestand te bereiken. Inmiddels bestaat er een bloeiende breinmachine-industrie. De makers beweren dat de machines niet alleen ontspannen, maar ook de creativiteit en cognitieve prestaties verbeteren en zelfs allerlei medische toepassingen bezitten, van ontwenning bij verslavingen en verbetering van stofwisselings-processen tot en met genezing van ADHD.

`Mind technician' Master Charles, die zich na vele jaren diepe meditatie gestort heeft op de ontwikkeling en verkoop van breinmachines, belooft zelfs een spirituele groei van niet minder dan 75 procent binnen enkele weken: ,,We zijn nu eenmaal Amerikanen. We hebben McDonalds uitgevonden. Als we fast food kunnen maken, waarom dan ook geen fast enlightenment?''

Uit een westers, wetenschappelijk perspectief kan men vraagtekens plaatsen bij de vergaande claims met betrekking tot de heilzame werking van de breinmachines. Hoewel onafhankelijk onderzoek aantoont dat sommige effecten inderdaad optreden, blijken veel andere nogal overtrokken. Maar ook wanneer de effecten minder spectaculair zijn dan de aanhangers ons willen doen geloven, legt de breinmachine een ieder die geïnteresseerd is in oosterse wijsheid en meditatie uitdagende vragen voor. Bijvoorbeeld de vraag of deze `technologisering van het heilige' niet een mooi voorbeeld is van interculturele uitwisseling.

Een scheutje argwaan is op zijn plaats. Hoewel de new edgers zich graag als tegencultuur presenteren, lijken ze zich nauwelijks te verzetten tegen de dominante politieke en economische cultuur. Ze maken er eerder deel van uit. Niet alleen omdat de breinmachine-industrie – met ieder jaar een nieuw modelletje – perfect past in de consumptiecultuur, maar ook omdat zij de gebruikers mentaal inschakelen in de technologische cultuur. Is de digitale roes in de praktijk niet vooral een methode om de gestreste flexi-werker efficiënt te ontspannen zodat hij of zij weer snel aan de slag kan? Het is dan ook niet vreemd dat de mind technologies net als veel andere new age-achtige technieken, een grote populariteit genieten in management trainingen.

Mediteerders van traditioneel-oosterse snit doen het vrije zippie huwelijk tussen Zen en ICT af als een pervertering van de ware geest of de essentie van Zen. Maar nog los van het feit dat de essentie van Zen toch vooral lijkt te zijn dat er geen essenties zijn, kun je je afvragen in hoeverre van Zen verwacht kan worden in te gaan tegen de bestaande politiek en economische orde. Gaat het Zen van oudsher af niet veeleer om een bevestiging in plaats van een ontkenning van de alledaagse, vaak banale realiteit?

Dat is echter, zoals de geschiedenis van het Zen-boeddhisme leert, te simpel gesteld. Volgens een traditionele, essentialistische opvatting is een cultuur een homogeen, in zichzelf besloten en onveranderlijk geheel van tradities, normen en waarden. Een dergelijke opvatting draagt bijvoorbeeld de beroemde uitspraak van Kipling: `East is East, and West is West, and never the twain shall meet.'

In werkelijkheid veranderen culturen voortdurend, bestaan zij uit uiteenlopende, heterogene elementen en vindt er een niet aflatende interculturele uitwisseling plaats. Elementen die van de ene cultuur naar de andere worden overgebracht, krijgen daar een nieuwe betekenis. Ook de geschiedenis van het Zen-boeddhisme laat dat zien. Het woord `Zen' is de Japanse uitspraak van het Chinese karakter tsj'an, dat op zijn beurt weer de Chinese uitspraak is van het uit het Sanskriet afkomstige dhyana, meditatie.

Het Zen-boeddhisme is in de zesde eeuw in China ontstaan, toen het zich vermengde met denkbeelden en praktijken uit de Taoïstische traditie. Nadat het in de daarop volgende eeuwen in verschillende scholen tot bloei was gekomen, verspreidde de zuidelijke school zich via Vietnam en Korea vanaf de twaalfde eeuw ook in Japan. Daar vermengde tsj'an zich met de uit de Shinto-religie afkomstige natuurcultus en elementen uit de beroepscode van de klasse van de Samoerai.

Hoewel er in het Zen-boeddhisme nog veel kenmerken uit het Indische boeddhisme zijn te herkennen, zoals de nadruk op de eindigheid van al wat is, het inzicht dat leven lijden is, de warsheid van theorievorming en het streven naar verlichting, wijkt het op andere punten fundamenteel af. Zo is de bevrijding in het Zen-boeddhisme niet gericht op een bevrijding van de alledaagse wereld, maar op een meer authentieke wijze van zijn in het alledaagse leven.

En waar in het Indiase boeddhisme de geweldloosheid één van de hoekstenen van de leer is, daar neemt het Zen-boeddhisme op zijn minst een ambivalente houding ten opzichte van geweld in. Een houding die, zoals Kelley Ross in zijn Zen and the Art of Divebombing omstandig uiteenzet, tot in de moderne Japanse geschiedenis een belangrijke rol heeft gespeeld, getuige bijvoorbeeld de met een beroep op Zen gesanctioneerde excessieve gewelddadigheid van het Japanse leger in de twintigste eeuw. De koan (Zenspreuk ter overpeinzing) die stelt dat je de Boeddha moet doden als je hem tegenkomt, werd daarbij wel erg vrijmoedig geïnterpreteerd.

Het Zen-boeddhisme is in de loop van zijn geschiedenis dus flexibel gebleken. Zen-kenner Daisetz T. Suzuki acht dit kenmerkend: `Zen kent geen specifieke doctrine of filosofie, geen centrale begrippen of intellectuele formules () Zo kan het een verbintenis aangaan met anarchisme of fascisme, communisme of democratie, atheïsme of idealisme, of welk politiek of economisch dogma dan ook.' Deze flexibiliteit sluit ook de inpassing van Zen in de politieke economie van de informatietechnologie allerminst uit.

Daarmee is echter volgens Suzuki niet het laatste woord gezegd: ,,Zen bezit een revolutionaire geest, en wanneer zaken dreigen vast te lopen () doet Zen zich gelden en toont het zich als een destructieve kracht''. Zen is een kracht die zich verzet tegen orde, omdat orde, van welke orde dan ook, ons verhindert de wereld te ervaren in haar volheid, die door geen enkel begip kan worden gevat. En die daarom voor de kennende geest nauwelijks kan worden onderscheiden van een gapende leegte.

Die leegte, dit niets – in het Japans aangeduid als mu – is datgene waarop de Zen uiteindelijk is gericht. Of het nu is via de weg van het `gewoon maar zitten' (zazen), een mediatie op een paradoxale koan, of door de praktijk van het bloemschikken, het motoronderhoud of het alledaagse gebruik van de computer. De westerse wetenschapper ziet de wijzer diep wegzinken in het deltagebied. Uit het perspectief van Zen worden we tot een zelfloos zelf dat opgaat in de handelingen die `het' verricht. Maar `het' is geen niets in de zin van een afwezigheid. Het is een actieve leegte, waaraan steeds weer nieuwe ordeningen ontspruiten.

In dat licht bezien is het vastlopen van de computer – de `fatal system error' – een geschenk. De crash bevrijdt ons voor een moment van het systeem dat, als ieder systeem, zo gemakkelijk ontaardt in een tredmolen. Nadat we door de crash buiten zinnen zijn geraakt, is er gelegenheid voor een moment van bezinning. De dubbelzinnigheid van Japanse woord voor crisis, kiki, drukt dat uit. Het kan zowel vertaald worden als `gelegenheid voor gevaar' als `kans voor gevaar'. En een crisis is beide.

Zen leert de computergebruiker dat de techniek een ontzaglijke, uiterst ambivalent kracht is. Enerzijds is de techniek scheppend; zij stelt de mens in staat zonder ophouden nieuwe werelden te ontsluiten en te stichten, van het onmetelijke heelal en de onvoorstelbaar kleine wereld van de subatomaire deeltjes tot de virtuele wonderwereld van cyberspace. Tegelijkertijd is de techniek een destructieve kracht, die de orde die zij schept telkens opnieuw ontwricht en vernietigt. De Boeddha moet worden gedood opdat hij leeft. En de kunst van het computeronderhoud moet er op gericht zijn het systeem te laten vastlopen. Zolang er virussen zijn, is er hoop!

Dat is een pijnlijk inzicht dat stemt tot medelijden. Om die reden organiseert de Daioh Temple in Kyoto ieder jaar op 24 oktober – de datum is afgeleid van de informatie-eenheid Kilobyte ofwel 1024 bytes – een ritueel ter nagedachtenis aan alle informatie die dat jaar verloren is gegaan in cyberspace. Maar de vernietiging van die informatie schept ook ruimte voor nieuwe orde. Het besturingsysteem moet vastlopen opdat er orde zij:

Chaos reigns within.

Reflect, repent, and reboot

Order shall return.

Inmiddels bestaat er een bloeiende breinmachine-industrie

Computer verdient plek tussen bloemschikken en kalligraferen

    • Jos de Mul