Tijdgeest in Ruigoord

Het voorstellingsvermogen heeft zijn eigen geheugen. Hoe scherp kan een mens zich het verleden voor de geest halen, wat weet hij nog van de grote gebeurtenissen waar hij een jaar of dertig, veertig geleden met zijn neus bovenop heeft gestaan, zoniet eraan deelgenomen? Hoe sterk je er ook van overtuigd bent dat die geschiedenis tot je eigen verleden hoort, zelfs tot je eigen leven, het verhindert niet dat het beeld dat je van zo'n `vroeger' denkt te bewaren steeds minder op de werkelijkheid van toen lijkt. Hoe verder dat alles verwijderd raakt, hoe meer het tot legende wordt, het genre van de gegalvaniseerd sterke verhalen.

Intussen gaan ook anderen zich ermee bemoeien, nieuwe deskundigen die toen nog niet eens geboren waren, en die je nu vertellen dat je iets heel anders hebt meegemaakt dan datgene waarvan je toen overtuigd was. En zo kan dan de `historische controverse' ontstaan. `Twee blinde legers bevechten elkaar bij nacht', zoals de dichter zegt. Met de discussie over de jaren zestig gaat het op het ogenbik deze kant op. Wat door de voorhoede van toen gezien wordt als de apotheose van hun jeugd, wordt door jonge conservatieven van nu uitgelegd als de oorsprong van het moderne verderf.

Maar gelukkig hebben we dan de film en de fotografie. Wat er ook gebeurt, de camera's zijn erbij geweest. Ze hebben vastgelegd, tot in de kleinste groeven en korrels, wat in je eigen hersenschors allang verloren is gegaan, aangenomen dat het er ooit in was opgenomen. Het wonder van de foto is, dat het verleden er ontegensprekelijk in terugkomt. Ik besef wel dat ik daarmee een open deur intrap. En toch is het een openbaring als het je weer eens volkomen onverwacht overkomt.

Op zondagmiddag was ik vertrokken uit het centrum van Amsterdam, het slome gewemel van de toeristen, de MacDonald's kauwende, ijs likkende, voor Van Gogh in de rij staande, langs de Wallen drommende vreemdelingen en provincalen. Uit dat ontembare consumentisme straalt een moedeloosheid. Terwijl deze mens van nu met de ene kant van zijn hersens zich zit af te vragen met wat voor lekkers hij zich het komende uur, en morgen en volgende week zal bedienen, maakt hij zich met de andere helft bezorgd over het plaatje van zijn krimpende koopkracht, de benzineprijs, de volgende reorganisatie in zijn bedrijf en de terrorist die op de loer ligt om zijn fun te bederven. Die trage mêlée van hebzucht en angst had ik achter me gelaten.

Ik was op weg naar Ruigoord, het dorpje dat eens een drijvend veeneiland is geweest, toen een buitengewest van Amsterdam, daarna een tot verdwijnen gedoemde nederzetting, vervolgens tot laat in de jaren negentig een door de politie vaak belegerde kolonie van kunstenaars, en nu eindelijk een klein, gevestigd bolwerk van de kunsten, de `culturele vrijhaven Ruigoord', zoals het zich zelf noemt. Met wortels in het dadaïsme, het surrealisme en vooral homo ludens, de spelende mens, zoals de stamboom laat weten. In de kerk van Ruigoord, het godshuis dat als door een wonder alle stormen heeft doorstaan, werden de tentoonstelling De tijdgeest, foto's van Cor Jaring, en de manifestatie Openbare werken 2005 geopend.

De reis naar Ruigoord is een belevenis op zichzelf. Noordwestwaarts rijdend heb je al vlug het oude Amsterdam achter je gelaten. Je bent dan terecht gekomen in een uitgestrekt gebied van moderne industriebouw en moderne groenvoorziening, alles toegankelijk dankzij een net van mooie asfaltwegen. Hier en daar, meldden waarschuwingsborden, werden straatraces gehouden. Aan de horizon torenen de geweldige kranen van het hypermoderne containerterminal. Een jaar of vijf na de voltooiing van deze installatie is daar onlangs voor het eerst een containerschip uit China gelost.

We bereikten Ruigoord. Daar waren ze, de oude vrienden: Simon en Edith, Theo, Gerben, Hans, Robert-Jasper en Thea, Dixie, teveel om op te noemen, en veel ook niet omdat ze dood zijn. En natuurlijk Cor. De man van de tentoonstelling. Er was eens, na de oorlog van 1939-'45 een Duitse oorlogsfotograaf, die alle oorlogen afreisde. Hij heette Horst, zijn achternaam ben ik vergeten. Waarom wilt u toch altijd naar de oorlog, werd hem door een verslaggever van het Amerikaanse weekblad Life gevraagd. Met Duits accent antwoordde hij in het Engels: `Vot I like is boom-boom.' Zo ongeveer is het met Cor Jaring in de jaren zestig gegaan. Waar een happening was, krenten werden uitgedeeld, de politie de lange lat trok, daar was Cor met de camera.

Een grote selectie van wat hij toen heeft gemaakt hangt nu in het kerkje van Ruigoord. Het is een historische tentoonstelling. Het geheel leert hoe drastisch de Amsterdamse binnenstad in de afgelopen halve eeuw veranderd is, niet bouwkundig of topografisch maar naar de menselijke maat van het leven op straat gemeten. Ik heb het nu niet over de historische waardering van de jaren zestig, maar over dat vage begrip, `de tijdgeest'. Die werd toen beheerst door een dagelijkse vrolijkheid, een oeverloos optimisme. Dat spreekt uit het geheel van deze verzameling in Ruigoord. Wie wil weten hoe het was, en hoe het bewaard is gebleven: ga daar kijken.

    • H.J.A. Hofland