Onze brieven zijn een bom

In de correspondentie van Gerard Reve en uitgever Geert van Oorschot wisselen lyrische liefdesbetuigingen en bitse briefjes elkaar af. De briefwisseling geeft een beeld van vijfendertig jaar schrijversleven, maar ook van een vriendschap tussen twee mannen die elkaar wel moesten afstoten. En elkaar dan weer in de armen vielen.

Op 23 juni 1973 stelde Gerard Reve aan Geert van Oorschot voor om een bloemlezing te maken uit de vele honderden brieven die hij hem in de loop der jaren had geschreven. In Brieven Aan Zijn Uitgever, zo meende hij, zat goud. Rilke en Thomas Mann hadden dat ook gedaan, met veel commercieel succes. `Er is veel waardeloos ge-urm bij, maar ik ben langzamerhand reeds zo oud, dat ik 1 stuk literatuurgeschiedenis ben geworden.' Van Oorschot reageerde niet op dit voorstel van de toen 48-jarige Reve. Er zijn althans geen schriftelijke bewijzen van overgeleverd. Dat was niet zo gek, want twee maanden daarvoor had hij aan Reve een uiterst kil briefje gestuurd met wat zakelijke mededelingen en het verzoek om hem `te verschonen van enigerlei verdere correspondentie'. Er was onmin gerezen tussen uitgever en schrijver over het feit dat Reve na het brievenboek Nader tot U (1966) niet kwam met de beloofde roman onder de titel Het Boek Van Het Violet En De Dood, zoals contractueel vastgelegd. Wel bood hij een andere roman aan bij Polak & Van Gennep, die De Taal der Liefde zou heten. Contractbreuk, aldus Van Oorschot, maar daar dacht Reve heel anders over. In de jaren die volgden verschenen er nog meer boeken van Reve bij andere uitgeverijen, maar de betrekkingen werden mettertijd toch weer wat vriendschappelijker, en al helemaal toen Reve, in de jaren tachtig, met een paar nieuwe titels terugkeerde bij zijn oude uitgever.

Op 10 februari 1983 deed Reve nogmaals een voorstel voor een brievenboek dat bij Van Oorschot zou kunnen verschijnen: Brieven aan Geert van O., een uitgave die volgens Reve `waarlijk een bom in Nederland zoude werpen'. Hij doelde daarmee waarschijnlijk op de soms zeer gespannen verhouding tussen hem en Van Oorschot, die voor veel boze, verdrietige en teleurgestelde correspondentie had gezorgd, na de zo hartelijke beginjaren. `Die brieven zijn zo goed als een komplete rekenschap van mijn literaire carrière', meende Reve. `Mijn volk heeft het recht, van de inhoud van die brieven kennis te nemen.' Ook op deze nieuwe suggestie ging Van Oorschot hoegenaamd niet in. Hij was er, anders dan Reve, vermoedelijk nog niet aan toe om `het volk' inzage te geven in de listen en lagen, de vreugden en troebelen van het uitgeversbedrijf.

Het zou nog eens ruim twintig jaar duren voordat het volk dan eindelijk nader kennis kon maken met de breekbare verstandhouding tussen een uitgever en zijn lievelingsschrijver. In de nu verschenen Briefwisseling 1951-1987 zijn niet alleen alle bewaard gebleven brieven van Reve aan Van Oorschot gebundeld, maar ook die van Van Oorschot aan Reve. Alleen de eerste brieven van Reve aan de uitgeverij zijn verloren gegaan. De bundel bevat 713 brieven, waarvan er dertien eerder werden gepubliceerd. Er zijn ook enkele brieven bij van Geerts echtgenote Hillie van Oorschot waarin zij optrad als zaakgelastigde van Geert.

Vijfendertig jaar schrijversleven trekt aan ons voorbij. De beginjaren gingen met veel gesappel gepaard, ondanks de al snel gevestigde reputatie van Reve met De avonden (1947). Hij werkte er aanvankelijk bij als hulpverpleger en kantoorbediende en probeerde vergeefs een Engelstalig auteur te worden om zijn verspreidingsgebied te vergroten. Maar The Acrobat and other Stories (1956), later door zijn toenmalige echtgenote Hanny Michaelis vertaald als Vier wintervertellingen (1963), was geen succes en de geplande roman In God We Trust zou nooit afkomen. De brievenbundels Op Weg Naar Het Einde (1963) en Nader Tot U (1966) zorgden voor een doorbraak. De verkoopcijfers stegen, beide boeken werden regelmatig herdrukt en Reve zou de briefvorm, die hem uitstekend bleek te liggen, in ere houden. Vanaf de jaren zestig leed hij geen geldgebrek meer en kon hij steeds hogere eisen stellen aan zijn opdrachtgevers en uitgevers.

Ook van het uitgeversbestaan krijgen we hier een goede indruk, al zijn de brieven van Van Oorschot in de minderheid. Hoewel er regelmatig sprake was van plannen om met een andere uitgeverij te gaan samenwerken, bleef Van Oorschot, ongeveer als enige in Nederland, zelfstandig, door hard te werken, zichzelf niet te ontzien en door zijn eigenzinnige en zeer persoonlijke benadering van zijn auteurs, zijn collegae en de boekenbranche. Ook zijn tijdschrift Tirade, dat bijna aan redactionele ruzies ten onder ging en dat verre van rendabel was, bleef met kunst- en vliegwerk bestaan.

Opmerkelijk aan deze Briefwisseling is wel in de eerste plaats dat hij inderdaad een soort bom bevat. Aan de fundamenten van de vriendschap, die tot uiting kwam in bijzonder hartelijke brieven over en weer (`Lieve Geert', `Lieve Gerard'), werd, zo blijkt nu, al in 1949 geknaagd door Reve. In zijn nauwkeurige en zeer informatieve commentaar bij de brieven nam bezorger Nop Maas een curieus document op. Het is opgesteld op 4 oktober 1949 en door Reve gedicteerd aan een bevriende grafoloog. Reve zette, `op voorwaarde dat de bron niet onthuld zou worden', uiteen wat hij vond van Van Oorschot: een tot hysterie neigende fantast die opgeklopte verhalen vertelde over zichzelf en zijn moeder. En ook: `een door rancune kromgetrokken querulant', al zou Van Oorschot, verzachtende factor, er niet op uit zijn, zoals zijn collega-uitgevers, om zijn auteurs te bestelen. Het hilarisch geformuleerde geschrift wordt besloten met deze observatie: `Uit zijn kantoor of uit zijn woning werpt hij gaarne lege sigarenkistjes op de hoofden van voorbijgangers.'

Het is met dit document in het achterhoofd dat je de brieven gaat lezen en natuurlijk ook met de wetenschap dat er in de loop der jaren verschil van mening zal ontstaan over een contractkwestie, die nog in 1987, enkele maanden voor de dood van Van Oorschot, tot een kort geding zal leiden. Dat verleent aan dit brievenboek, dat toch al bijzonder levendig en geestrijk is, nog een extra dimensie. Een smartelijke dimensie, omdat je al die wederzijdse liefdesbetuigingen (`Ik houd nog altijd evenveel van je als vroeger', `het is vrijwel ondenkbaar dat ik ooit bij je wegga', `ik houd zielsveel van je') en uitnodigingen om te komen logeren, niet goed kunt lezen zonder ook te denken aan de knetterende ruzies die eraan vooraf gingen en die er nog op zouden volgen. Toch zou het, dat is misschien nog wel het meest curieus, nooit tot een definitieve breuk komen tussen Reve en Van Oorschot. In september 1979, na het overlijden van zijn vrouw Hillie, schreef Van Oorschot een sneu klinkend briefje aan Reve waarin hij hem verzocht iets te laten horen. `Tenslotte ben je een van de heel weinigen, van wie ik ben blijven houden.'

Reve en Van Oorschot hadden veel gemeen: afkeer van het communisme, drankzucht, een sobere, hardwerkende middenstandersmentaliteit, een verlangen naar rust en stilte, eigenzinnigheid en de behoefte om alles alléén te doen en te regelen. Maar juist door al deze overeenkomsten moesten ze elkaar, zo lijkt het, op den duur ook wel afstoten. Dat maakt de smartelijkheid uit van deze correspondentie: twee eenzame wolven die elkaar nu eens in de armen vallen en elkaar vader en zoon noemen en zich dan weer grommend terugtrekken in het eigen hol. Dat ze elkaar, in betere tijden, ook goed aanvoelden, blijkt intussen uit menige, amicaal getoonzette brief, waarin geen blad voor de mond wordt genomen. Reve spreekt vrijuit over zijn religieuze gevoelens (`Ik heb malle, maar voor mij heel wezenlijke gedachten: dat God verschrikkelijk lijdt en door mij getroost wil worden'), over zijn liefdesverhoudingen (`Ook hebben we er een nieuwe Jongen bijgenomen'), zijn masturbatiepraktijk (vijf tot acht keer per dag) en over zijn vele levensproblemen en vaak moeizame schrijfvorderingen. Op 24 september 1965 schrijft hij: `Ik heb gisteren weer anderhalve pagina volledig ziek & morbide proza, zonder ook maar één normaal mens erin, kunnen opschrijven, Godlof.' De brieven aan Van Oorschot bevatten de bekende dooddoeners (`was ik maar dood, dan hoefde ik niet meer te leven'), woordgrapjes (`de tijd drinkt') en eigenaardige spellingen (`ik ben halph doodt'). Vaak ook weet hij ernst en luim te mengen tot onweerstaanbaar geestige passages, bijvoorbeeld wanneer hij Van Oorschot meevraagt op een bedevaartstocht. `Ga jij eens met mij naar ,,Maria ter Nood'' in Heiloo? Je zal ervan opkikkeren. Zoveel wansmaak verzin je niet zonder Gods bijstand.'

Van Oorschot, op zijn beurt, schreef, in een iets minder soepel idioom, over zijn somberheid, zijn desillusies, zijn incidentele vakantiereizen, de zelfmoord van zijn zoon Guido en zijn vaak ingewikkelde uitgeversperikelen. Regelmatig liet hij zich van zijn vaderlijke kant zien en stond hij Reve bij met praktische hulp, door bijvoorbeeld in de jaren zestig voor hem en zijn toenmalige vriend Wimie op zoek te gaan naar een huis buiten de stad. Hij keek rond in de buurt van Zutphen en deed daarvan onomwonden verslag op 25 juli 1963: `Dat boerderijtje was niks. Ik zou er nog geen schurftig schaap in willen onderbrengen.' Ook zette hij Reve regelmatig tot schrijven aan, natuurlijk vooral in de periode dat Reve nog door hem werd uitgegeven.

Een steeds terugkerende titel in dit verband, een van de rode draden ook in de hele briefwisseling, is Het Boek Van Het Violet En De Dood, dat volgens het oorspronkelijke plan in 1968 zou verschijnen. Het groeide niet alleen uit tot een obsessie van zowel uitgever als schrijver, maar dreef ook een wig tussen hen. Terwijl Van Oorschot vergeefs wachtte op de bijbehorende roman, was Reve keer op keer teleurgesteld omdat hij wéér niet het langverbeide boek had geschreven dat alle andere overbodig zou maken. In 1996 verscheen dan toch nog, bijna tien jaar na de dood van Van Oorschot, Het Boek van Violet en Dood, bij uitgeverij L.J. Veen. Het wordt wel gerekend tot de hoogtepunten van Reves latere werk, maar of hij er zelf het ultieme boek in zag, is niet bekend. Voor alle zekerheid schreef hij nog één roman, Het hijgend hert (1998), dat zeker niet tot de hoogtepunten van zijn werk behoort.

Waarom Reve zijn heil in de jaren zeventig elders zocht, ook al wist Van Oorschot met veel moeite vijf titels te behouden, wordt in de Briefwisseling niet echt opgehelderd. Grotere voorschotten? Meer royalty's? Een nog vrijere hand van schrijven? Meer publiciteit? Betere presentatie? Geld zal een niet onbelangrijk motief zijn geweest. Reve was in die jaren meer dan ooit uit op `het veroveren van een redelijk hechte economiese basis', zoals hij het zelf in een van zijn brieven noemde.

Zou het voor de literatuurgeschiedenis veel hebben uitgemaakt als Het Boek van Violet en Dood bij Van Oorschot was verschenen, zoals ooit de bedoeling was? Ik denk het eigenlijk niet. Reve trok zijn eigen plan en liet zich niet of nauwelijks coachen, behalve misschien later in commercieel opzicht door Matroos Vos, sinds 1975 zijn levenspartner. Ook deze Briefwisseling zou dan vermoedelijk geen wezenlijk ander karakter hebben gehad, al zou de hoeveelheid teleurgestelde en pinnige briefjes misschien wat kleiner zijn geweest. De conclusie moet toch wel zijn, na ruim zevenhonderd brieven, waarvan bijna tweederde zijn van Reve, dat de liefde, voorzover een buitenstaander daar althans enig reëel zicht op kan hebben, bij Van Oorschot vanaf het begin groter en onvoorwaardelijker is geweest dan bij Reve. Je zou ook kunnen zeggen dat Reve's eigenliefde net iets groter was dan zijn naastenliefde, in weerwil van een uitspraak die hij meer dan eens deed: `ik leeph voor anderen.'

Josine Meijer, een gemeenschappelijke vriendin, bekend geworden als de sterrenwichelende Jobs uit de Brieven aan Josine M. (1981), het eerste boek van Reve dat na jaren weer bij Van Oorschot zou verschijnen, mengde zich in het conflict rondom de roman De Taal der Liefde, die zou uitkomen bij de concurrent. In een interessante brief – opgenomen in het Commentaar – legde zij aan een bedroefde en gedeprimeerde Van Oorschot uit dat het voor hem, in 1971, geen zin had om een proces te beginnen tegen Reve. Hij had weliswaar gelijk, maar kon de zaken toch maar beter nemen zoals ze waren. Zij meende dat het geen zin had om Reve te dwingen zich aan het contract met Van Oorschot te houden en zijn buitencontractuele liaison met Polak & Van Gennep te verbreken. Zij voorzag dat dat de schrijverij niet ten goede zou komen. Inspiratie kan men een ander niet voorschrijven. Bovendien, schreef zij, was Reve uitermate egocentrisch en sloot hij zich, mogelijk uit zelfbehoud, af voor recht en redelijkheid.

Dat beeld van Reve, als onverbeterlijke egocentricus, wordt in deze Briefwisseling zeker niet ontkracht. Op beslissende momenten ging hij zijn eigen gang, ook al wekte dat bij zijn vrienden wel eens wrevel, verdriet of verbittering. Waarschijnlijk is het juist deze, misschien niet altijd even mooie of sympathieke menselijke eigenschap, die hem tot zo'n onnavolgbare dichter, verteller en brievenschrijver heeft gemaakt. Als Van Oorschot hem, in april 1979, wat bedeesd vraagt wat hij eigenlijk vindt van zijn werk, de romans dus van zijn alter ego Peskens, dan krijgt hij, bijna een jaar later, dit behoedzame en ontwijkende, maar toch ook heel duidelijke antwoord: `Je vraagt mij wat ik van je werk vind. Het zijn geen Reves, jouw boeken, maar een mens kan nu eenmaal niet alles hebben. Ik zoude je willen indelen ongeveer tussen Hotz en 't Hart. Beiden zijn door de kritiek met veel gejuich de Nederlandse literatuur binnengehaald, maar ik vind de beste van de twee, 't Hart [...], niet voldoende interessant.' Zij leveren feiten en gebeurtenissen, maar geen visie, meent Reve, die in het vervolg van de brief niet meer op het werk van Peskens terug zal komen. Hermans en Reve zijn volgens hem de enige levende Nederlandse schrijvers die meer doen dan beschrijven en betogen. Ze openbaren en getuigen ook en proberen het menselijk bestaan te duiden. Daarom zijn zij, volgens hem, de enige twee belangrijke Nederlandse schrijvers.

Van Oorschot zal het er meteen mee eens zijn geweest. Hij wilde niet met hem concurreren, maar wel had hij hem, zoals blijkt uit eigenlijk al zijn brieven aan Reve, dolgraag behouden als auteur van zijn compromisloze, literaire fonds, maar vooral ook als vriend en zielsverwant. `Ik wil niet doen', schrijft hij op 23 april 1979, duidelijk terneergeslagen, `alsof ik het niet jammer heb gevonden, dat andere uitgevers behoorlijk hebben kunnen verdienen aan je boeken. Maar ,,het andere'' is voor mij tenslotte altijd belangrijker geweest dan geld.'

Gerard Reve en Geert van Oorschot: Briefwisseling 1951-1987. Bezorgd door Nop Maas. G.A. van Oorschot, 752 blz. €45,– (geb) €32,50 (ing)

    • Janet Luis