Ik hak je lever in mootjes, man

De naam Ozer Varsjavski doet tegenwoordig nauwelijks meer een bel rinkelen. Dat was anders toen de 22-jarige schrijver in 1920 in Warschau debuteerde met de roman Sjmoeglers, nu als Smokkelaars in een Nederlandse vertaling verschenen. Het was de eerste Jiddische roman die de Eerste Wereldoorlog tot onderwerp had. Het verhaal ging niet over gevechtshandelingen, maar over de invloed die de oorlog had op de gewone joodse man en vrouw. Wat het boek tot een – weliswaar controversieel – succes maakte, was vooral de naturalistische beschrijving van de wederwaardigheden van een groep joodse smokkelaars en – ongebruikelijk in Jiddische literatuur – de grote rol die daarbij is weggelegd voor hun seksuele escapades.

Het is 1915. Voerman Pantel, die al jaren met zijn paard en wagen vrachtjes vervoert van en naar het station in zijn sjtetl in de buurt van Warschau, lijdt onder het gebrek aan handel in het door de Duitsers bezette land en besluit met een paar vrienden levensmiddelen en zelfgestookte drank te gaan smokkelen naar het uitgehongerde Warschau. Om de Duitsers om de tuin te leiden nemen ze sjikses – niet-joodse vrouwen – mee, die indien nodig met de Duitsers de berm in duiken en zo de smokkelwaar veiligstellen. De vrienden scharrelen voor dit doel drie prostituees uit Warschau op, die hen voortaan op hun tochten vergezellen, en niet alleen de Duitsers, maar ook hun ter wille zijn. De mannen hebben weinig respect voor hun slovende, afgetobde vrouwen en schromen niet hen bij thuiskomst het echtelijk bed uit te jagen en er zelf in te duiken met hun favoriete hoertje.

Ook met elkaar gaan de mannen weinig zachtzinnig om. Meningsverschillen worden met geweld beslecht, en men slingert elkaar voortdurend verwensingen naar het hoofd. Volgens goed Jiddisch gebruik wordt Gods naam vrijwel nooit ijdel gebruikt, maar men wenst elkaar naar hartelust ziekten en ander lichamelijk ongemak toe: `Ik trek je darmen uit je pens!', `Krijg de kankertering in je botten!' of: `Ik hak je lever in mootjes!'

Ozer Varsjavski begon zijn carrière als fotograaf in Warschau, en misschien is daar iets van terug te zien in de opbouw van het boek, dat uit plastisch beschreven losse scènes bestaat. Hij schetst een beeld van een op drift geraakte gemeenschap, waar weinig onderling respect bestaat en iedereen, jong en oud, arm en rijk, meer of minder orthodox, zichzelf probeert te verrijken. Toch beklijft Varsjavski's verhaal nauwelijks, omdat de meeste personages zo weinig uitgewerkt zijn dat ze moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden. Wat dat betreft passen de verkleind afgedrukte tekeningen van Josef Zaidnbaitl uit de oorspronkelijke uitgave er goed bij: de meeste staan zo vol met mensen dat nauwelijks te zien is wat de plaatjes voorstellen.

Desondanks zijn er een paar passages die aantonen dat Varsjavski wel degelijk personages van vlees en bloed kan creëren. Bijvoorbeeld als hij de miskraam van Pantels vrouw Glike beschrijft. Pantel heeft schoon genoeg van zijn vrouw, die alleen maar zeurt en voortdurend kinderen baart. Als Pantel in een woedeaanval zijn jongste zoon weer eens in elkaar wil slaan, komt de zwangere Glike tussenbeide en krijgt een stomp in haar buik, waardoor de weeën voortijdig beginnen. Pantel weet zich geen raad met de situatie, verklaart stoer dat ze zich niet moet aanstellen, maar voelt zich tegelijkertijd schuldig en gaat in wanhoop naar de hoeren. Als na een langdurige, moeizame bevalling de vroedvrouw de kraamkamer uit komt met een afgedekte kom, kan Pantel zich niet bedwingen en kijkt wat erin zit. De onverhoedse confrontatie met een compleet mensje van maar één vinger lang brengt hem zo in verwarring dat hij het huis uitvlucht, `alsof boze geesten hem achtervolgen'.

Bijzonder is ook de relatie tussen joden en niet-joden in het boek. De Jiddische literatuur speelt zich doorgaans af in een gesloten joodse gemeenschap, en als er al eens gojim in voorkomen, worden ze vaak beschreven als boosaardige wezens van een andere planeet. De drie Warschause hoertjes gaan echter heel gewoon om met hun joodse vrienden, en er ontspint zich zelfs een liefdesrelatie tussen de jongste van hen, Natsja, en Pantels oudste zoon Mendel, waarbij Mendel zich heel even afvraagt hoe het zou zijn om zich te laten dopen. Natuurlijk doet hij het niet, maar het feit dat de gedachte bij hem opkomt, zou voor vele andere schrijvers – en hun lezers – al blasfemisch geweest zijn.

Hieruit blijkt dat Varsjavski in een andere tijd leefde dan illustere voorgangers als Sjolem Alejchem of Mendele. De jaren meteen na de Eerste Wereldoorlog vormden ook voor veel Jiddische schrijvers een revolutionaire periode. Velen verbleven een tijdje in het wereldse Berlijn en voelden sympathie voor de Russische Revolutie. Zo ook Varsjavski. Later vestigde hij zich in Parijs, waar hij zich volop in het bohémien-leven stortte en alleen nog wat korte verhalen en één ongunstig ontvangen roman schreef. In de oorlog vluchtte hij via Zuid-Frankrijk naar Rome. Na de komst van de Duitsers werd hij in 1944 alsnog naar Auschwitz afgevoerd.

Ozer Varsjavski: Smokkelaars. Vertaald uit het Jiddisch door Jan Jonk de Koning. Jiddische Bibliotheek 12. Vassallucci, 228 blz. €20,– (geb.)

    • Hilde Pach