Ik dompel je in onkwetsbaarheid

Beelden, schrift en steen bewaken onze geschiedenis. Je hoeft geen archeoloog te zijn om bij deze bakens je heil te zoeken. Ook in een simpel mensenleven bieden ze vat op wat ongrijpbaar, want verdwenen is. In de poëzie van Hester Knibbe spelen ze al jarenlang die rol. Vooral `steen'. Dat was het sleutelwoord in Een bittere navel (1997). Steen: als zerk of ruïne, als beeldhouwwerk, als rots of muur, maar ook als twijfelachtig fundament. `Steenlezen' en `Een zuil van basalt' waren reekstitels in Een dunne duurzaamheid (1999) en Verstoorde grond (2002).

Ook in haar nieuwe bundel is steen een heersend element. En, meer dan vroeger, ook onderwerp van bezwering. Het titelvers, `De buigzaamheid van steen', beschrijft de `uiterste smeekdans' van drie ranke pilaren die samen een zuil vormen. `Alleen hun hoofden', eindigt het gedicht, `vormen nog samen een vaste / gedachte gebeiteld in één kapiteel.' Wie de reeks `Anti-dood' in Een dunne duurzaamheid heeft gelezen, weet hoe dit zuilbeeld geïnterpreteerd kan worden. Sinds `Anti-dood' is de poëtische beslommering met de grens tussen dood en leven voor Knibbe geen fictie meer. Rouw om haar zoon is nu drijfveer.

Dat zou larmoyante poëzie kunnen opleveren, maar dat gebeurt niet in De buigzaamheid van steen. Sinds haar debuutbundel Tussen gebaren en woorden (1982) is Hester Knibbe als dichter voortdurend gegroeid. In haar zevende bundel heeft ze geen grote woorden en verheven metaforen meer nodig om pijn te verwoorden. Dat doet ze nu uiterst subtiel en vaak indirect, zoals in `Jongenskopje in museum'. Het openingscouplet zet nuchter in: `Eerst was ik er en daarna / mijn beeld. Ik speelde gewoon / toen de meester mij kneedde.' Twee coupletten later is er de tijd van vallen en breken. Een geoefende hand geeft het kopje weer bestaan maar, waarschuwen dan de slotregels:

geheeld ben ik nooit; onuitwisbaar

loopt door mijn oude gezicht steeds

die streep die je niet meer vergeet.

Elk van de zevenenveertig gedichten in De buigzaamheid van steen is zo'n spiegelgevecht als dit. Nuchter soms, dan weer ontroerend, en soms ook balorig. `Heiligdom' heet een drieluik, maar de openingsregels konden niet profaner: `We zochten het altaar / en vonden het niet. Ook / de handel in kaarsen lag plat.' Toch wint opnieuw de reflectie. `Grensgevallen' noemt de dichter zichzelf en haar liefste in het derde gedicht, `een hemd over niets / of een ander geloof.'

Zoals in al haar vroegere bundels speelt Knibbe ook nu weer leentjebuur bij de Oudheid. Dat levert onder meer een juweel als `Thetis' hiel' op. De rol van Achilleus en zijn moeder, de zeegodin Thetis, worden daarin omgedraaid. Volgens de mythe zou Thetis haar zoon aan zijn hiel in het water van de Styx hebben gehouden om hem onsterfelijk te maken. Omdat het water die hiel niet raakte, bleef dat de kwetsbare plek van Achilleus. Knibbe legt Thetis deze woorden in de mond:

Zelfs goden, ze worden geboren

in hoofden, doven uit tot mythe.

Zoals niemand de bron van de bron

kan duiden of later op zee kan vertellen: dit

is het water dat diep in de aarde, dát

wat hoog op de bergen stroomde, zo

stromen stervelingen en goden.

Van mijn oorsprong weet ik dus

niets, ik huwde de aarde, in mij

groeide een kind, viel

uit me ten slotte, en ik

murmelde: mormeltje mijn, ik

noem je, dompel je in onkwetsbaarheid

Het lachte naar mij, hield me vast

bij de hiel toen het mamma zei.

De moeder erft de kwetsbaarheid van het kind. Die kwetsbaarheid is Knibbe's basso continuo; maar er zijn tegenstemmen. Voluit klinken die al in `Hier om te beginnen', de openingscyclus van de bundel. Ze verzetten zich tegen de acceptatie van het niet- of niet-meer-zijn. `Het kind,' stellen ze, `heeft een plaats, woont / in een hart dus het is. Ook // als het niet roept, er het zwijgen toe doet / en voorgoed woont het kind // in het hart en het is.'

In april 2004 bezocht Hester Knibbe Callosa D'en Sarriá in Spanje tijdens de Semana Santa. Daar schreef ze de slotcyclus van haar bundel, `De kunst van het dragen'. Het is een krachtig geschreven veelluik waarin de aardse en hemelse Maria's, de marmeren zoon en die van vlees en bloed, de processie en de begrafenisstoet zich spiegelen. Het titelgedicht van de cyclus toont Knibbe's meesterschap waar het gaat om woordkeus en toonzetting. `De kunst van het dragen' en de kunst van het overdragen vallen hier samen.

We waren op tijd voor de intocht.

Muziek droeg de stoet en we hoorden

wat muziek doet met een nauwe straat

en een hart dat te ruim zit - Acht

droegen zijn beeld op een baar. Dat het

de kunst is

goed te dragen, een ritme te vinden

samen balans

te bewaren zagen we daar; het moet een soort

wiegen zijn dat de angst voor het laatste

verdrijft. In beweging blijven

desnoods pas op de plaats.

Hester Knibbe: De buigzaamheid van steen. De Arbeiderspers, 69 blz. €15,95

    • Arie van den Berg