Hoe hij geworden is wie hij is

Du Perrons roman valt in twee delen uiteen. Maar beide helften horen wel degelijk bij elkaar. Deze week discussieert de Leesclub (www.nrc.nl/leesclub) over het zelfportret van de schrijver in `Het land van herkomst'.

Het land van herkomst wordt vaak gezien als een onevenwichtige roman. Een roman die eigenlijk uit twee romans bestaat, die niet goed op elkaar aansluiten. Dat vond bijvoorbeeld W.F. Hermans, die meende dat het verhaal `als totaliteit' niets uitdrukte. Ook in de discussie van de Leesclub hebben soortgelijke geluiden al geklonken en als Kester Freriks in zijn bijdrage van vorige week Du Perrons beschrijving van zijn Indische jeugd `het belangrijkste onderwerp' van de roman noemt, dan suggereert hij in feite dat de `Europese' hoofdstukken bijzaak zijn.

De roman lijkt inderdaad in twee helften uiteen te vallen, die elk ook nog een andere status hebben. Want de Indische hoofdstukken spelen zich af in het verleden, het zijn gestolde herinneringen; de Europese hoofdstukken hebben meer het karakter van een dagboek of een kroniek, het is alsof ze heet van de naald zijn geschreven. In de Europese hoofdstukken lezen we over het schrijven van de Indische hoofdstukken; daaruit zou je kunnen concluderen dat die laatste dus de essentie vormen, maar even goed dat ze deel uitmaken van de eerste, met als gevolg dat het zwaartepunt dáár moet worden gezocht.

Hoe nu? Het verstandigst lijkt me om te kijken of we beide helften op een zinnige manier met elkaar kunnen verbinden. Wat is de inzet van de hele roman?

Op het eerste gezicht is het antwoord eenvoudig: Du Perron wil weten wie hij is, net als zijn grote voorbeeld Stendhal in diens autobiografie Vie de Henry Brulard, en eveneens net als Stendhal geeft Du Perron de voorkeur aan een alter ego, bij hem Arthur Ducroo geheten. Stendhal verdiepte zich in zichzelf om de verveling in Civita Vecchia (waar hij wegkwijnde als Frans consul) te verdrijven; Ducroo slooft zich uit voor zijn kersverse echtgenote Jane, het `brandpunt' van zijn voorafgaande leven, zoals hij het ietwat pathetisch uitdrukt (blz. 32). Zij moet dat leven alleen nog wel leren kennen. Door zijn Indische jeugdjaren te beschrijven wil Ducroo haar tonen hoe hij geworden is wie hij nu is.

Dat blijkt nog niet mee te vallen, meer dan eens heeft Ducroo last van `onmachtgevoelens', die `samenwerken op ieder gebied, sinds het wegzakken van die éne bodem waaraan ik nooit ernstig gedacht had' (blz. 23). Die `ene bodem' slaat waarschijnlijk evenzeer op het verre Indië als op de verdwenen welvaart van zijn familie. Vervreemding van het verleden en een uiterst precaire positie in het heden bemoeilijken de zelfkennis. Bovendien is het Indische koloniale verleden van Ducroo bepaald niet naar de smaak van de linkse intellectuelen met wie hij in Parijs bevriend is geraakt en met wie hij heftige discussies voert over onder andere het thema `trouw'.

In de eerste plaats is de seksuele trouw tussen man en vrouw bedoeld, maar al gauw betekent het ook: trouw aan jezelf, en vooral aan wie je geweest bent. Ducroo ontkent niet dat hij is veranderd (de Javanen zou hij nu `met oneindig meer sympathie en aandacht' bejegenen dan in zijn koloniale jeugd, blz. 336), maar dat is nog geen reden om te verloochenen `wat wijzelf eens waren' (blz. 131). En dus vernemen we van alles waarover bekrompen lezers die politieke correctheid belangrijker vinden dan literaire kracht, zich nog steeds vreselijk kunnen opwinden. Toch blijkt de trouw aan het verleden geen afdoende garantie voor een waarachtig zelfportret.

Du Perron, die in Europa via zijn vriend Pascal Pia met het modernisme had kennisgemaakt, kende de listen en lagen van het geheugen. `Wanneer een volwassen persoon ik zegt over zichzelf als kind, is er altijd iets vervalst', beseft Ducroo (blz. 84), net zoals hij moet toegeven hoe lastig het is om van de verschillende ikken waaruit hij heeft bestaan géén `personages' te maken (blz. 498). Bedrog en zelfbedrog liggen overal op de loer, hoezeer Ducroo er ook van overtuigd is dat hij over een heuse `kern' (blz. 455) beschikt. Maar die laat zich niet rechtstreeks beschrijven; daarvoor zijn omwegen nodig, bedenkingen, gesprekken, reflecties, bij voorbeeld over het herinneren en over het schrijven – die óók in de roman terecht zijn gekomen. De Europese hoofdstukken staan er vol mee en zijn dus even hard nodig als de Indische om het zelfportret van Ducroo zo compleet mogelijk te maken.

Het punt waar het op aankomt is dat dat portret, het waarmerk van Ducroo's identiteit als individu, er tevoren niet was: het is pas in en door het schrijven tot stand gekomen. Zodat je – niet zonder ironie – zou kunnen zeggen dat Du Perron, die binnen de Nederlandse literatuur bekend staat als een van de voorvechters van de `vent' tegenover de `vorm', in Het land van herkomst een vent is geworden dankzij de vorm.

Ziedaar de inzet van deze roman, die er tegelijkertijd een eenheid van maakt. Een dynamische eenheid, zoals het een modernistische roman betaamt, want de uitkomst stond nooit bij voorbaat vast en alles is veranderlijk. Dat blijkt eens te meer uit het indrukwekkende slot, als de politiek steeds meer het relaas binnendringt en Ducroo's met zoveel formele inspanning veroverde `vent' opeens zíjn vorm van verzet blijkt te zijn tegen het zowel links als rechts oprukkende collectivisme.

Volgende week in de Leesclub: Michiel Leezenberg over politiek in `Het land van herkomst'. Discussieer mee op de ww.nrc.nl/leesclub

    • Arnold Heumakers