Een onmogelijke spagaat

Tot 2008 wordt het Rijksmuseum grondig verbouwd. Intussen wordt nagedacht over een nieuwe opstelling van de collectie. Het Cultureel Supplement denkt mee en laat een reeks kunsthistorici uit binnen- en buitenland hun visie geven op de ideale presentatie.

Als laatste Carel Blotkamp: `De plannen van het Rijksmuseum om ook de 20ste eeuw te gaan bestrijken, lijken me heilloos.'

De aankoop van een vroege Mondriaan door het Rijksmuseum zorgde onlangs voor veel ophef op de opiniepagina van deze krant. Bij gebrek aan echt belangrijk nieuws, suggereerde cartoonist Oppenheimer in zijn mooie montage van een komkommer op de plaats van de molen op het schilderij. En het is waar, Nederlandse musea, inclusief het Rijksmuseum, hebben geregeld aanwinsten van meer gewicht te melden die toch veel minder publiciteit krijgen.

De discussie ging echter verder dan de vraag of het een goed of een minder goed schilderij van Mondriaan betreft, een aanwinst voor het Nederlandse museumbezit of niet. De kritiek van Wim van Krimpen en Hans Janssen van het Haags Gemeentemuseum die de aanzet gaf, gold ook de ambitie van het Rijksmuseum om de hele 20ste eeuw te gaan bestrijken in het kader van de beoogde historische presentatie van de collectie als het museum in 2008 of later weer opengaat. Daarmee sluiten zij aan bij de serie artikelen `Suggesties voor het nieuwe Rijksmuseum' in het Cultureel Supplement.

Vorig jaar al kritiseerde Janneke Wesseling de presentatieplannen en de uitbreiding van het verzamelgebied van het Rijksmuseum, die zij mede als een gevolg zag van het gebrek aan overleg en onderlinge afstemming tussen de drie musea aan het Amsterdamse Museumplein. In juni jl. zette Mariët Westermann, hoogleraar kunstgeschiedenis in New York, die kritiek kracht bij in een genuanceerd betoog over de kwaliteiten en beperkingen van collectie en gebouw en over de problemen die men zich op de hals haalt als men de hoogtepunten van de museumcollectie tegelijk als illustratie van een geschiedverhaal wil laten fungeren. Ook zij was van oordeel dat het Rijksmuseum het verzamelen van moderne kunst beter kan overlaten aan andere musea. Wel gaf ze aan – en dat is een interessante suggestie – dat het museum via exposities en tijdelijke presentaties de moderne kunst in dialoog zou kunnen laten treden met de collectie, waarbij zij enkele voorbeelden noemde: `Goya en Pollock in het huis van Rembrandt, Mondriaan en Judd in het museum van Vermeer, Matthew Barney als goede buur van Rubens (). Zelfs de Aziatische kunst voelt zich in zo'n Rijks thuis. Het zou heel spannend kunnen worden.'

Met de kritische opmerkingen van Van Krimpen en Janssen en eerder al Wesseling en Westermann die qua strekking en argumentatie in grote lijnen overeenkomen, ben ik het van harte eens. De kwestie is dat het Rijksmuseum verschillende ambities met elkaar probeert te combineren. Het wil enerzijds de nationale schatkamer zijn – die term wordt door het museum de laatste jaren veelvuldig gebruikt – en op het gebied van de vrije kunsten en de kunstnijverheid breeduit het beste van het beste tonen. Anderzijds wil het zoiets als het nationale geheugen representeren, door de afdeling vaderlandse geschiedenis te integreren en die geschiedenis als een rode draad door de collectiepresentatie te laten lopen. Het museum haakt daarmee in op een politieke discussie, waarin de versterking van de nationale identiteit als remedie wordt gezien tegen allerlei maatschappelijk ongemak. Door de verbinding van die twee museumconcepties raakt het Rijksmuseum in een onmogelijke spagaat, en het gevaar is niet denkbeeldig dat het op die manier zowel de grote stroom buitenlandse bezoekers als de bezoekers uit eigen land teleurstelt en tekortdoet. Met het accent dat de kunstcollectie vraagt, kan het Rijkmuseum nu eenmaal niet zoiets als het Duitse Haus der Geschichte worden, of het Amsterdams Historisch Museum op slechts een paar honderd meter afstand.

De territoriumuitbreiding betekent niet alleen een overlapping met het Amsterdams Historisch Museum, maar ook met de naaste buren, het Van Gogh Museum en het Stedelijk Museum. De geschiedenis loopt door tot vandaag, redeneert het Rijksmuseum, dus moeten we in een geïntegreerde presentatie de kunst tot vandaag opnemen. Een bijkomende overweging is wellicht dat men vindt dat het Stedelijk Museum in de gebruikelijke presentaties van zijn collectie onvoldoende aandacht schenkt aan Nederlandse kunst – een klacht die vaker wordt gehoord en die ook doorklinkt in enkele reacties op de opiniepagina naar aanleiding van de Mondriaankwestie. Maar dat het Rijksmuseum het beter zou kunnen doen is een illusie.

Verplichting

Als men de lijn tot vandaag wil doortrekken, dan dient de kunst en de kunstnijverheid van de 20ste eeuw op hetzelfde kwaliteitsniveau en met dezelfde breedte en diepgang getoond te kunnen worden als die van vroeger eeuwen. Dat is het Rijksmuseum aan zijn stand als nationale schatkamer verplicht. Maar met de collectievorming op die gebieden moet men praktisch bij het nulpunt beginnen. Dat geldt voor 100 procent voor de schilder- en beeldhouwkunst. Op het gebied van teken- en prentkunst bezit het museum het nodige uit de 20ste eeuw, maar op een paar incidentele werken en ensembles na, zoals een groep mooie tekeningen en prenten van Jan Mankes, is dat absoluut niet representatief. Dat geldt evenzeer voor de fotografie, waar het hoofdaccent ligt op de 19de eeuw (mooie collectie, daar niet van).

Wat de toegepaste kunsten betreft, meubels, glas, textiel en dergelijke, heeft het Rijksmuseum in de jaren zeventig de grens van zijn verzamelperiode verlegd naar ca. 1925, toen wel in goed overleg met het Stedelijk. Er is vervolgens verzameld op het gebied van de Nieuwe Kunst van omstreeks 1900 en van de Amsterdamse School, maar dat was een kortstondige passie, zo blijkt uit een artikel in het laatste nummer van het Bulletin van het Rijksmuseum. Later werd de aandacht weer verlegd naar oudere kunstnijverheid, met name de historiserende stijlen van de 19de eeuw.

De achterstand op het gebied van de 20ste eeuw is simpelweg niet meer in te halen, in de eerste plaats om financiële redenen. Laat ik wat concrete voorbeelden geven. Gemeten naar de standaard die de oude kunst in het Rijksmuseum stelt, zou de schilderkunst van de eerste helft van de 20ste eeuw toch op zijn minst gerepresenteerd moeten worden door niet één maar meerdere belangrijke werken van kunstenaars zoals Van Dongen, Sluyters, Mondriaan, Van der Leck, Van Doesburg, Charley Toorop, Van Heemskerck, Kruyder, Willink en Koch. Misschien moeten hier ook De Kooning en Bram van Velde aan worden toegevoegd, expats, maar dat waren Mondriaan en Van Dongen ook. Dan heeft men overigens alleen nog maar een kerncollectie, zonder een breder beeld te kunnen geven. Het prijsniveau van hun beste schilderijen beweegt zich tussen een paar honderdduizend euro en 5 à 10 miljoen euro (voor Mondriaan, Van Dongen en De Kooning). Het museum zou er gedurende tientallen jaren zijn totale aankoopbudget aan moeten besteden (dat momenteel een paar miljoen euro per jaar bedraagt, waarvan een groot deel een extra bijdrage is uit loterijgelden) om een enigszins representatieve collectie op te bouwen. En dan heb ik het nog niet over de kunst van de tweede helft van de 20ste eeuw en van de 21ste eeuw die ook bijgehouden moet worden. En ik heb het ook nog niet over de andere verzamelgebieden, beeldhouwkunst, prent- en tekenkunst, fotografie en kunstnijverheid, die up-to-date gebracht moeten worden.

Afgezien van de financiële implicaties, is er ook het probleem van de beschikbaarheid. Van sommige van de genoemde kunstenaars zitten vrijwel alle belangrijke werken al vast in museumcollecties: een echt topwerk van Van Doesburg, Koch of Willink bijvoorbeeld is bijna niet meer te vinden in kunsthandel of particuliere collectie. Hier wreekt zich dus eens te meer dat het Rijksmuseum zich in een veel te laat stadium op deze markt wil gaan begeven, decennia nadat andere musea in ons land moderne Nederlandse kunst begonnen te verzamelen.

Bruikleen

Er zijn natuurlijk andere mogelijkheden dan aankoop: het verkrijgen van werken in bruikleen, al zou het vreemd zijn als het Rijksmuseum alleen in deze sector overwegend zou terugvallen op bruiklenen voor een als permanent bedoelde presentatie. Andere musea in Nederland zullen bovendien niet staan te trappelen om hun mooiste Van Dongens, Van Doesburgs en Willinks (en hun beste foto's, en meubels, enzovoort) voor zeer lange tijd uit te lenen. Het Haagse aanbod van een landschap met molen van Mondriaan uit 1907 was een geste uit overvloed: zijn vroege figuratieve werk is in de collectie van het Gemeentemuseum in zo groten getale aanwezig dat een deel ervan in het depot verblijft. Maar kubistische en abstracte Mondriaans aanbieden is een heel andere zaak.

Blijft over, als mogelijke leverancier, de collectie van het Rijk, die beheerd wordt door het Instituut Collectie Nederland. Die is lang niet toereikend om een goed overzicht van de Nederlandse kunst van de 20ste eeuw samen te stellen, al bevat ze wel een aantal belangrijke werken – Mondriaans Victory Boogie Woogie bijvoorbeeld. Dergelijke werken zijn doorgaans ondergebracht bij musea in het land waar ze in de collectie goed kunnen functioneren en permanent getoond worden. De Victory Boogie Woogie heeft in Den Haag de best denkbare context, met de grote collectie Mondriaans uit alle perioden, met werken van de andere kunstenaars van De Stijl plus een ruime collectie kunstnijverheid uit het interbellum; een internationale context ook die het Rijksmuseum de moderne Nederlandse kunst nooit zal kunnen bieden. Het schilderij is in Den Haag, overbodig om het te zeggen want zo'n transfer is helemaal niet aan de orde, meer op zijn plaats dan boven het bureau van Willem Drees in een afdeling 20ste eeuw van het Rijksmuseum.

Ik heb hier voornamelijk argumenten aangevoerd die betrekking hebben op de moeilijkheden om een representatieve collectie Nederlandse kunst van de 20ste eeuw bij elkaar te krijgen. Daar kan nog aan worden toegevoegd dat de ruimte die het Rijksmuseum hieraan heeft toegedacht, de begane grond van de linkervleugel, niet bijster geschikt lijkt voor de presentatie van moderne kunst, zeker voor de meer recente kunst waarvan het ruimtebeslag soms aanzienlijk is (video-installaties bijvoorbeeld). Maar ik wil tot slot nog een ander punt aanroeren en de kwestie bezien vanuit de geschiedenis.

Als er een lijstje gemaakt wordt van belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in de Nederlandse geschiedenis van de 20ste eeuw die in een historische verhaallijn in het Rijksmuseum aan bod zouden moeten komen, dan valt te denken aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog, met hun zo totaal verschillende repercussies voor ons land, de crisis van de jaren dertig, aan de invoering van het algemeen kiesrecht, verzuiling en ontzuiling, aan de Afsluitdijk en de afsluiting van de Zeeuwse wateren, aan de verhouding tot de koloniën en het zelfstandig worden van Indonesië, aan ontkerkelijking en verzet tegen autoriteit, aan de sterke groei van de groepen nieuwe Nederlanders, enzovoort.

Dergelijke onderwerpen kunnen met documentaire middelen en objecten van allerlei aard op een aansprekende manier worden gevisualiseerd. Ik zie echter niet goed hoe een abstracte Mondriaan, een bank van Jurgen Bey en een foto van Rineke Dijkstra binnen zo'n historische context zouden kunnen functioneren, en tegelijk binnen een overzicht van de Nederlandse kunst van de 20ste eeuw. Kunstwerken zijn voor mij niet heilig, ze zijn niet verheven boven de geschiedenis. Maar ze laten zich moeilijk in een directe samenhang met historische gebeurtenissen en ontwikkelingen dwingen.

De plannen van het Rijksmuseum om ook de 20ste eeuw te gaan bestrijken, lijken me heilloos, meer een bevlieging dan een weldoordachte toekomstvisie. Het is voorspelbaar dat over enige tijd, als men merkt dat de gestelde doelen onhaalbaar zijn op het kwaliteitsniveau waarop het Rijksmuseum zich doorgaans beweegt en behoort te bewegen, de ambities weer duchtig moeten worden bijgesteld. Laat die vroege Mondriaan een aardig sluitstuk zijn van de 19de eeuw en tevens van de hele collectiepresentatie van het Rijksmuseum: een schilderij dat de buitenlandse bezoeker die alleen Mondriaans latere abstracte werk kent, zal verrassen en hem zal stimuleren om naar het Stedelijk te gaan voor de kunst van de 20ste en 21ste eeuw.

De auteur is hoogleraar moderne kunst aan de Vrije Universiteit in Amsterdam De eerdere afleveringen van de serie `Suggesties voor het nieuwe Rijksmuseum' zijn te lezen op www.nrc.nl

    • Carel Blotkamp