Dolen in wanen vol winden

Na het lezen van een roman van Bernlef heb ik eigenlijk altijd dezelfde reactie: interessante, belangwekkende thematiek, maar wat is het allemaal grauw en grijs opgeschreven! Kraak en smaakloos realisme – zonder dat de inzet strikt genomen realistisch kan worden genoemd. Integendeel, het is niet Bernlefs lust enkel het dagelijkse leven te kopiëren. Voorzover hij dat doet, gebeurt het om de lezer ongemerkt naar iets heel anders, een vreemde dimensie of mogelijkheid, te verplaatsen.

In De onzichtbare jongen, Bernlefs nieuwste, zijn beide kanten van zijn schrijverschap overzichtelijk verdeeld: het weinig opwindende realisme vult deel één, in deel twee krijgen we iets te zien van de achterkant van het tapijt, de raadselen van het lichaam en de valkuilen van de geest. Ik moet bekennen dat eerste deel met moeite te hebben uitgelezen; zo saai en overbekend kwam het verhaal over een jeugdvriendschap in de jaren vijftig mij voor.

Dat wil niet zeggen dat Bernlef niet zijn best heeft gedaan om het al te alledaagse te vermijden. Verteller Wouter van Bakel kan bijvoorbeeld erg goed hardlopen en zijn beste vriend Max Veldman is een rekenwonder, iemand met een absoluut geheugen en een opvallende belangstelling voor de winden en de sterren of, zoals hij het zelf noemt, voor de `machinerie van het heelal'. Dat laatste is weer niet zo ongewoon, net zo min als zijn verlangen naar `onzichtbaarheid' na het lezen van H.G. Wells' meesterwerk The Invisible Man.

Toch is er iets met deze jongen, zijn `vreemde blik' en zijn liefde voor cijfers (`ik verkeer graag onder cijfers', zal hij later zeggen), die méér doet vermoeden dan alleen een puberale passie voor wis- en natuurkunde. Degene die echter de bijzonderste dingen meemaakt, dat is sprinttalent Wouter: hij wint zelfs een keer – off the record – van Fanny Blankers-Koen en hij mag in 1952 meedoen aan de Olympische Spelen in Helsinki, waar hij het overigens op een beschamende wijze laat afweten. Dat zijn geen dingen die je in elke roman tegenkomt.

Helaas maken ze amper indruk, en dat niet alleen omdat ik niets om topsport geef. Doorslaggevend lijkt mij de slome, clichématige stijl waarin Bernlef deze Wouter zijn verhaal laat vertellen, een stijl waarin de schoolmeester `een martiale snor' heeft en moeder `zoet en vriendelijk' is en bovendien `vol geduld'. Irritant is ook de uitleg die de verteller vaak ten beste geeft, terwijl de lezer het allang begrepen heeft. En wie veert op uit zijn stoel, als Wouter over Max schrijft: `Ik voelde een soort angstig ontzag voor hem'?

Dan het tweede deel, waarin de vrienden wat ouder zijn geworden en alles een wending neemt. Wouter blijft weliswaar de verteller, maar het lijkt wel of zijn stijl aan kracht wint, tegelijk met het verhaal: de vreemde, intrigerende aanzetten in deel één krijgen namelijk een verrassend vervolg. Wouter kan opeens niet meer lopen of hooguit heel langzaam en dat geeft hem een heel ander, veel gedetailleerder zicht op de dingen; Max blijkt krankzinnig te zijn geworden, hij kan vrijwel alleen details zien. In het gekkenhuis hoopt hij, door als amateur-onderzoeker helemaal opnieuw te beginnen, de verlossende `sleutel' tot het `systeem' oftewel de `wet van Beaufort' te ontdekken. Toeval bestaat niet in zijn waanwereld vol winden, waarbinnen de werkelijkheid op een wel zeer particuliere, van alle geijkte ankers losgeslagen manier wordt benaderd.

Om dat verschil in perceptie is het Bernlef te doen. Ook Wouter krijgt ermee te maken, nadat hij de macht over zijn benen is kwijtgeraakt. Het dringt tot hem door hoezeer hij altijd langs de dingen heen is gesneld: stap voor stap bewegend, ziet hij zoveel meer, en hij realiseert zich het tekort van de taal om de dingen adequaat weer te geven. Dat laatste lijkt er een beetje met de haren bijgesleept (zo'n taalbewuste indruk maakt deze ex-topsporter niet), maar het is natuurlijk een kant van de zaak die de schrijver Bernlef bijzonder aanspreekt.

Wat we zien en ervaren is altijd relatief, afhankelijk van de kaders en van de woorden waardoor we onze perceptie – onbewust – laten leiden. Hoe spannend zou het niet zijn om eens een blik daarbuiten te werpen?

Bernlef is, als zoveel moderne kunstenaars, door die mogelijkheid gefascineerd. Maar uit De onzichtbare jongen maak ik op dat hij zich er geen al te rooskleurige voorstelling van maakt: je kunt er ook, net als Max, `stapelgek' van worden. Wie echt naar `onzichtbaarheid' verlangt, ruimt zichzelf tenslotte op – wederom net als die arme Max. Dan liever de verstandige middenweg, die Wouter inslaat zodra hij weer kan lopen. Bernlef lijkt hem te volgen, onder meer door te suggereren dat de waanzin (evenals de eerdere hang naar onzichtbaarheid) Max' onmachtige reactie is geweest op het bedrog en de breuk in het huwelijk van zijn ouders.

Zo zijn we weer thuis, in het overzichtelijke realisme, al gunt Bernlef zijn verhaal nog wel een kleine dubbelzinnigheid via een happy ending. Dat Wouter op de laatste bladzijde het kort daarvóór uit het niets opgedoken halfzusje van Max in de armen mag sluiten, berust wellicht niet op toeval, maar zou wel eens van meet af aan door Max' `machinerie van de sterren' kunnen zijn geprogrammeerd.

Hoe het ook zij, achteraf werpt het tweede deel een ander licht op zijn voorganger. Misschien moest het eerste deel wel zo vlak en gewoon ogen om het contrast beter te laten uitkomen, zodat ook de lezer gedwongen wordt om zich te realiseren dat hij te snel en te oppervlakkig heeft gelezen en dat de werkelijkheid, ook die van de tekst, heel wat meer bevat dan gewoonlijk wordt waargenomen.

Om tot dit waardevolle inzicht te geraken, moet je alleen wel bereid en in staat zijn om ruim honderd bladzijden lang je geduld te bewaren.

Bernlef: De onzichtbare jongen. Querido, 192 blz. €21,95 (geb) €17,95 (pbk)

    • Arnold Heumakers