Bert de Vries gebruikt achterhaalde rekensommen

De cijfers waarop Bert de Vries zich in zijn boek baseert, zijn verouderd. Zo zullen de kosten van de zorg sterker stijgen, betogen Lans Bovenberg en Ab Klink. Daarmee vervalt een pijler onder zijn argumenten tegen het kabinetsbeleid.

Met zijn boek Overvloed en onbehagen wil oud CDA-minster De Vries meer dan een rimpel in de vijver van het Binnenhof veroorzaken. De ambities van het boek reiken ver. Immers, De Vries probeert de sociaal-economische pijlers onder het kabinetsbeleid vandaan te halen. Het kabinet beweert dat zwaar weer op komst is. De verzorgingsstaat moet worden verbouwd met het oog op het natuurgeweld van de demografische ontwikkelingen. Maar wie nuchter naar de feiten kijkt, kan er niet omheen: de bui drijft over. Het aantal AOW-uitkeringen neemt wel toe, maar de lastenstijging kan opgevangen worden door de extra belastinginkomsten die de ouderen zelf ophoesten. De vergrijzing betaalt zichzelf. Daarom is het helemaal niet nodig de openbare financiën te saneren en het overheidstekort terug te dringen. Waarom een appeltje voor de dorst als er straks voldoende te drinken is? Den Haag waakt al jaren zorgvuldig over dit geheim – dixit Bert de Vries.

Maar is het beeld werkelijk zo zonnig als hij ons voorspiegelt? Daar vallen de nodige kanttekeningen bij te plaatsen. In de eerste plaats is `het geheim' van De Vries al jarenlang bekend. Het CPB en het IMF hebben in hun rekensommen over de vergrijzingskosten de belastingopbrengsten over pensioenuitkeringen van meetaf aan meegenomen. Weliswaar minder prozaïsch dan De Vries, maar daarom niet minder precies en feitelijk. Desalnietttemin melden alle instituten ons dat het wel degelijk aanbevelingswaardig is om het structurele financieringstekort weg te werken om zo te voorkomen dat de sociale zekerheid en dat de zorg straks onder druk komen.

Daar komt bij dat de rekensommen waarop De Vries zich baseert, inmiddels zijn verouderd. De kosten van de zorg zullen, blijkens de groeicijfers van de afgelopen jaren, fors meer toenemen dan De Vries veronderstelt. Onzeker zijn ook de voorspellingen over de belastinginkomsten die oudere mensen straks over hun pensioen gaan betalen. In 2000 bracht het CPB daarover ramingen naar buiten. Maar sinds die tijd is er het nodige veranderd. De beurskrach en de daling van de reële rente hebben de dekkingsgraden van pensioenfondsen aangetast. Ook de vooruitzichten voor de aandelenrendementen zijn heel wat minder florissant dan in het euforische jaar 2000. Er moet dus rekening mee worden gehouden dat de pensioeninkomsten en daarmee ook de belastinginkomsten flink lager zullen gaan uitvallen dan De Vries raamt. Het is riskant om de betaalbaarheid van de AOW te laten afhangen van onzekere pensioeninkomsten. Onzeker, juist ook vanwege de vergrijzing. Die maakt het immers steeds moeilijker om tegenvallers in de beleggingsopbrengsten af te wentelen op de jongeren door de premies te verhogen.

Een (beroeps)bevolking die ouder wordt, maakt niet alleen de openbare financiën en de pensioenen kwetsbaar. Zij beïnvloedt ook de arbeidsmarkt. Als oudere werknemers de arbeidsmarkt gaan verlaten, is het risico van schaarste reëel, zeker als veel gepensioneerden hun kapitaalgedekte pensioenen gaan uitgeven. Daar komt nog bij dat de aanwas van de geschoolde bevolking geen gelijke tred houdt met de vraag naar geschoolde werknemers. Er dreigt daarom zowel een tekort aan goed geschoolde mensen (met loonopdrijving als gevolg) als werkloosheid bij minder geschoolde mensen. Naast hoge loonkosten resulteren dan ook hoge premies en grotere inkomensverschillen. Bovendien neemt dan de tijdsdruk op gezinnen verder toe. Dit alles is sociaal onwenselijk.

Hoe moet ons land daarmee omgaan? Belangrijk is dat meer mensen aan de slag gaan: oudere werknemers, allochtonen die nu nog te vaak aan de kant staan, partners vooral vrouwen – die wel meer zouden willen werken, maar daar door allerlei barrières van worden weerhouden. Met meer mensen aan de slag kan de belasting- en premiedruk en de arbeidsinspanning beter gespreid worden en kan een loonspiraal worden vermeden. Dat vraagt om een ambitieus arbeidsmarktbeleid. Het komt erop aan dat de overheid oudere werknemers niet meer subsidieert om eerder uit te kunnen treden. Ook zijn investeringen geboden in de minder geschoolden, onder wie vaak allochtonen die nu na hun 40ste veel te massaal bijstand genieten. Dat vereist een veeleisende arbeidsbemiddeling.

Tegenover het recht op een uitkering staat de plicht vrije tijd in te leveren om je te kunnen scholen of een baan te accepteren. Het komt er ook op aan om met name oudere werknemers niet te laten vastlopen in hun functie. Tijdige bij- en omscholing zijn essentieel. Het zwaartepunt moet van nazorg (een uitkering) verlegd worden naar voorzorg (tijdig scholen). Dat is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers. De levensloopregeling en leerrechten willen daaraan tegemoet komen. De verbreding van de arbeidsdeelname is ook van belang voor gezinnen met kinderen. Het is niet goed als de arbeidslast van de vergrijzing vooral moeten worden opgevangen door mensen die toch al topsport bedrijven door werk en opvoeding te combineren. Ook de middengroepen moeten worden ontzien. Zij hebben het al zwaar, zowel financieel als mentaal.

Verder is het van belang om te streven naar minstens structureel begrotingsevenwicht conform de Europese spelregels. Het door de Vries voorgestane structurele overheidstekort van zo'n 2.5 procent van het BBP maakt het vermogen om de kosten van de vergrijzing te kunnen betalen kwetsbaar in het licht van de vele onzekerheden. We mogen de solidariteit met de kwetsbaren van de toekomst niet op het spel zetten. Zelfs de PvdA ziet dat in en zet daarom in op structureel begrotingsevenwicht. De Vries haalt bijna iedereen links in. Hij heeft gelijk dat met het begrotingsbeleid wel verstandig moet worden omgegaan. In perioden van economische terugval moet je niet obsessief de staatsschuld verlagen. Bovendien moeten de mensen met een te smalle beurs er niet onder lijden. Hij verwijt het kabinet dat het op beide punten te kort schiet. Maar hier heeft hij de feiten niet aan zijn kant. Van een fixatie om de staatsschuld af te lossen, is bij het kabinet bepaald geen sprake geweest. Het kabinet heeft het tekort behoorlijk laten oplopen tot zelfs nipt boven de drie procent van het bruto nationaal product. Verder zijn de minima er de afgelopen jaren in koopkracht eerder op vooruit dan op achteruit gegaan. In weerwil van opnieuw de beweringen van De Vries hebben vooral de middengroepen het zwaar gehad. Volgend jaar wordt dat dan ook gerepareerd. Met geld dat dan opnieuw niet voor aflossing van de staatsschuld wordt gebruikt. Wat het kabinet wel deed, was het meebetalen aan vroeg stoppen met betaald werken beperken. Het werkte ook aan activerende bijstand, meer verplichtende scholing voor allochtonen, en een WAO die ook gericht op een beter onderhoud van menselijk kapitaal. Daarnaast werd gewerkt aan een houdbaarder zorgstelsel (ook in de AWBZ) dat de vergrijzing beter aan kan.

De vergrijzing hoeft inderdaad zeker geen ramp te worden, maar vraagt wel degelijk om sociale hervormingen. Daar zit geen heimelijke neo-conservatieve agenda achter, het gaat er ook niet om er snel Amerikaanse toestanden doorheen te drukken. Door zo te denken zet De Vries de politiek onterecht in een kwaad daglicht.

Lans Bovenberg is hoogleraar economie aan de Universiteit Tilburg. Ab Klink is directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.

www.nrc.nl/opinie

Interview met Bert de Vries

    • Lans Bovenberg
    • Ab Klink