Altijd gedoe bij Manteau

De Vlaamse uitgeverij Manteau heeft de neiging de tongen los te maken. Jeroen Brouwers, die in het verleden de rechterhand van de nu 94-jarige oprichtster was, spuwt in zijn essayistisch proza regelmatig zijn gal over zijn voormalige werkgeefster. Julien Weverbergh schreef een schotschrift over de vrouw die hij als directeur van de uitgeverij opvolgde. Er is een mislukte biografie door Greta Seghers, die ook al ruzie kreeg met haar onderwerp. En dan is er nog regelmatig gedoe over het archief van de uitgeverij, waaruit hele stukken zijn verdwenen, en dat – ook al weer na een door mevrouw Manteau veroorzaakte ruzie – onhandig genoeg over twee instellingen verdeeld is geraakt. Een aantal jaren geleden was er bovendien de geruchtmakende verkoop van Angèle Manteaus bibliotheek, met veel opdrachtexemplaren, naar aanleiding waarvan zelfs nog steeds processen worden gevoerd. Emoties genoeg, kortom. Maar is het fonds van de uitgeverij al dat rumoer ook waard?

De net verschenen studie van Ernst Bruinsma over de eerste decennia van Manteaus geschiedenis laat zien dat deze uitgeverij in Vlaanderen een unieke rol speelde. Vlaamse auteurs wendden zich in de vooroorlogse jaren bij voorkeur tot Nederlandse uitgeverijen als Van Dishoeck, Veen, Nijgh & Van Ditmar of de enige jaren in Brussel residerende Stols. Werk dat uitkwam bij Vlaamse uitgevers bereikte nauwelijks publiek en in de pers werd er tot grote frustratie van de Vlaamse auteurs geen aandacht aan besteed.

Manteau was zo'n beetje de eerste die daarin verandering bracht. Zij begon, toen Stols in 1932 terugkeerde naar Nederland, in Brussel een importboekhandel, met vertegenwoordigingen van het fonds van Stols, Meulenhoff en Leopold. Zo'n importboekhandel was niet uitzonderlijk, wél nieuw was dat Manteau zich daarnaast als zelfstandig uitgever manifesteerde, eerst voorzichtig vanaf 1935, krachtiger vanaf 1938. Zij leunde daarbij sterk op de schouders van haar leermeester Stols, en later op die van Leopold, al zou ze zich vooral over de eerste overwegend met dédain uitlaten.

Bruinsma vertelt de wordingsgeschiedenis van de uitgeverij met grote precisie. Hij baseert zich niet alleen op interviews met mevrouw Manteau, wier geheugen nogal eens selectief is, maar ook op grondige studie van de overgeleverde archieven. Hij besteedt daarbij niet alleen veel aandacht aan de overwegingen van Manteau, maar plaatst haar ook met grote kennis van zaken binnen de ontwikkelingen in het Vlaamse boekenvak. Aan de eerste jaren van Manteau is vaker aandacht besteed, maar nooit zo uitgebreid. Een boeiend hoofdstuk, met verrassende nieuwe gegevens, vormen de wederwaardigheden van Manteau tijdens de oorlog, toen zij met hulp van op het randje van collaboratie balancerende of zelfs voluit met de Duitsers heulende schrijvers als Maurice Roelants en Valère Depauw haar bedrijf gaande hield. Tijdens die periode maakte ze sluw gebruik van het feit dat de grenzen voor Nederlandse uitgaven gesloten waren. Na de oorlog werd Manteau op haar beurt slachtoffer van collega's die de succesvolle auteurs bij haar probeerden weg te kapen. Bruinsma's studie spitst zich toe op één zo'n geval, dat van de door Manteau ontdekte Louis Paul Boon. Die zou na een door tumult gekenmerkte relatie haar fonds eind jaren veertig verlaten voor De Arbeiderspers.

Bruinsma beschrijft het fonds van Manteau in de context van het Vlaamse uitgeefbedrijf en behandelt daarbij alle bij de boekproductie voorkomende aspecten. Daardoor is Bruinsma's boek niet alleen een waardevolle beschrijving van de eerste jaren van Manteau, maar vormt het tevens een onmisbare bijdrage tot de Vlaamse, en door de vele onderlinge contacten, ook Nederlandse uitgeverijgeschiedenis.

Ernst Bruinsma: Kwaliteit als credo. Een geschiedenis van Uitgeverij Manteau (1938-1953). Meulenhoff/Manteau, 438 blz. €24,95

    • Sjoerd van Faassen