Verbluffend vakmanschap in goud

Gisteren opende in het British Museum de tentoonstelling `Forgotten Empire' die schatten toont uit een hoogontwikkeld en machtig Perzisch rijk.

Veel Nederlandse gymnasiasten kennen de Perzen vooral als de barbaarse tegenstanders van de oude Grieken. Gelukkig, leerden zij, werden de Perzen op het nippertje verslagen door listige Griekse veldheren en admiraals, waarna de klassieke Griekse beschaving eindelijk tot volle ontplooiing kwam.

In werkelijkheid maakten de verachte Perzen deel uit van een machtig en hoog ontwikkeld rijk, zo blijkt uit de tentoonstelling Forgotten Empire, die morgen in het British Museum begint. De heerschappij van de Perzen strekte zich uit van Noord-Afrika en Klein-Azië tot diep in Centraal-Azië en India. Het Perzische rijk van 2500 jaar geleden was daarmee het grootste dat de wereld tot dan toe had aanschouwd.

De Perzische koningen lieten in overeenstemming met hun macht en rijkdom enorme paleizen bouwen in hun hoofdsteden, Susa, Pasargadae en Persepolis. Door verwoestingen in later eeuwen, met name door toedoen van Alexander de Grote, is het meeste daarvan verloren gegaan. Toch getuigen veel voorwerpen op de tentoonstelling, waarvoor de Iraanse autoriteiten ruimhartig stukken uit het Nationaal Museum in Teheran hebben afgestaan, nog van de monumentaliteit van deze bouwwerken.

Zo is er een reusachtige stenen leeuwenklauw van ruim een halve meter doorsnee. Ook zijn er de kopieën van enorme reliëfs op de muren bij het paleis van Persepolis, waarop te zien is hoe onderdanen uit de verste uithoeken van het immense rijk hun giften aan de Perzische heersers kwamen aanbieden.

Een hoogtepunt op de expositie zijn voorts twee tableaus van geglazuurde bakstenen uit Susa met daarop krijgers van de zogeheten `Onsterfelijken', een bruikleen van het Louvre. De Onsterfelijken waren koninklijke elitetroepen die hun naam ontleenden aan het feit dat gesneuvelde militairen ogenblikkelijk werden vervangen door nieuwelingen.

De Onsterfelijken, waarin het individu volstrekt ondergeschikt was aan het grotere geheel, mogen kenmerkend heten voor de oude Perzische beschaving. Vrijwel alle afgebeelde mensen op de tentoonstelling zijn onpersoonlijk en zouden moeiteloos voor anderen kunnen worden ingewisseld. Anders dan de nog weer veel oudere Egyptische cultuur, waarin kunstenaars vaak een persoonlijke, soms zelfs humoristische toets aan hun werk meegaven, ontberen de Perzische voorwerpen enige individualiteit. Ze slagen er daardoor niet in de 21ste eeuwse bezoeker werkelijk te ontroeren.

Ook al blijven veel voorwerpen op de expositie nogal zielloos, dat neemt niet weg dat er van verbluffend vakmanschap kan worden genoten. Vooral de gouden voorwerpen uit de zogeheten Schat van Oxus zijn schitterend. Ware pronkstukken zijn twee armbanden met mythologische dierenkoppen op de uiteinden. Maar ook een gouden goudvis, die vermoedelijk met olie of parfum werd gevuld, spreekt tot de verbeelding. Wel moet gezegd worden dat sommige zeer fraaie stukken er nogal verloren bijliggen tussen kwalitatief veel minder materiaal.

Indruk maakt ook de manier waarop het enorme rijk was georganiseerd. De Perzen beschikten voor die tijd over goede wegen en wagens, waarmee ze grote afstanden konden afleggen. Ze waren bovendien voortreffelijke ruiters. De grondlegger van het enorme rijk, Cyrus de Grote, voerde een systeem in, waarbij de lokale macht grotendeels werd gedelegeerd aan een twintigtal satrapen. Wel moesten deze elk jaar steevast vele tonnen aan goud en zilver aan de koning afdragen.

Diezelfde Cyrus geniet bij christenen en joden in het Westen een goede naam wegens de vermaarde Cylinder van Cyrus, eveneens tentoongesteld. Dit is een cylindervormige steen met een tekst in Babylonisch spijkerschrift, die bij Babylon in het huidige Irak is gevonden. Hierop wordt melding gemaakt van beginselen van rechtvaardig bestuur en van het beëindigen van de ballingschap van sommige volkeren. Dit maakte de weg vrij voor de terugkeer van de joden naar Israël, zoals ook in het bijbelse boek Ezra verhaald.

De opzet van de organisatoren is echter niet zozeer de aandacht te vestigen op de wederwaardigheden van het joodse volk. Zij zeggen vooral te hopen met de expositie meer begrip in het Westen te wekken voor de huidige toestand in het Midden-Oosten. Dat is echter niet meer dan een loze kreet. Nergens op de tentoonstelling wordt een verband gelegd met de ontwikkelingen in het moderne Iran. Een gemis is dat trouwens niet. Er is al genoeg interessants op de expositie te zien.

De tentoonstelling in het British Museum duurt tot 8 januari 2006.

    • Floris van Straaten