Psalmnorm

Bij zijn aantreden in 1994 introduceerde onze minister van Financiën de Zalmnorm. Die houdt in dat voortaan strikt de hand zou worden gehouden aan de plafonds voor de overheidsuitgaven die bij de kabinetsformatie waren afgesproken. Voor landen die de euro hebben ingevoerd gelden nog andere normen. Daar moeten overheden streven naar evenwicht op hun begroting. In conjunctureel evenwichtige jaren mogen de totale uitgaven niet hoger zijn dan de ontvangsten van de schatkist. Als de economie in een dip zit, mag het tekort in geen geval 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) te boven gaan. De overheidsschuld mag ten hoogste 60 procent van het bbp bedragen.

Om deze euronormen te halen zijn de afgelopen jaren vele, vele miljarden bezuinigd. Bovendien werden de lasten voor bedrijven en burgers na 2002 met meer dan 10 miljard euro verzwaard. Door de tegenzittende conjunctuur, bezuinigingen en lastenverzwaringen daalde de koopkracht van de meeste huishoudens. In de periode 2001-2003 leden het rijkste kwart van de bevolking (min 3 procent) en het armste kwart van de bevolking (min 4 procent) gemiddeld het grootste koopkrachtverlies, zo blijkt uit het deze week verschenen rapport De sociale staat van Nederland 2005.

Het Tweede-Kamerlid Rouvoet (ChristenUnie) had vooral de positie van het minst bedeelde kwart op het oog, toen hij recentelijk pleitte voor een `psalmnorm' als tegenwicht voor de Zalmnorm. Hij verwees naar psalm 72:13 waar staat geschreven dat de overheid zich zal ontfermen over de geringen en de armen.

Nog een andere mannenbroeder trok de profetenmantel aan. CDA-coryfee De Vries wrikt in zijn zojuist verschenen boek Overmoed en onbehagen aan twee hoekstenen van het in Den Haag gevoerde financieel-economische beleid. Het kabinet verdedigt het streven naar een kleiner begrotingstekort onder andere door te wijzen op de komende sterke vergrijzing van de bevolking. Tot 2040 verdubbelt het aantal senioren, waardoor veel meer geld nodig is voor de AOW en de gezondheidszorg.

De Vries ziet in de vergrijzing echter geen bedreiging. De extra uitgaven voor AOW en gezondheidszorg – die volgens een becijfering van het Centraal Planbureau (CPB) tegen 2040 zo'n 8 procent van het bbp opslokken – worden voor meer dan de helft (5 procent van het bbp) goedgemaakt door extra belasting die ouderen gaan betalen. Generaties die de komende twintig jaar met pensioen gaan, hebben honderden miljarden euro aan de pensioenfondsen toevertrouwd. Bij uitbetaling wordt daarover inkomstenbelasting geheven, bij besteding BTW en accijnzen.

Desondanks zal het begrotingssaldo in de periode tot 2040 met meer dan 3 procent van het bbp verslechteren – de uitgaven stijgen met ruim 8 punten, de extra belastingontvangsten van de ouderen met niet meer dan 5 punten. Om dit door demografische trends geslagen gat af te dekken moeten de belastingen omhoog of dient op de overheidsuitgaven te worden bezuinigd. Hoe eerder die maatregelen worden getroffen, hoe beter. Hoe langer de overheid wacht, hoe draconischer de benodigde ingrepen zullen zijn.

Daar komt bij dat de cijferexercitie van het CPB al weer vijf jaar oud is. In het uitgangsjaar (2001) had de overheid nog een overschot op de begroting. Het CPB verwachtte destijds pas na vijftien jaar weer tekorten.

Inmiddels is de uitgangssituatie aanzienlijk verslechterd door de tegenvallende gang van zaken in de afgelopen jaren. Op dit moment werkt het CPB aan nieuwe berekeningen van de overheidsfinanciën op lange termijn, die waarschijnlijk een veel somberder beeld gaan opleveren.

Anders dan De Vries stelt, zijn maatregelen met het oog op de vergrijzing onontkoombaar: uitgaven omlaag, of belastingen omhoog. Anders explodeert de overheidsschuld op de lange termijn en lopen de rentelasten – die andere overheidsuitgaven verdringen – torenhoog op.

De CDA-voorman in ruste vindt ook het streven naar evenwicht op de begroting maar niks. In zijn visie kunnen wij ons ook in conjunctureel evenwichtige jaren een tekort van 2,4 procent van het bbp veroorloven. Want bij een groei van het bbp van 4 procent per jaar – 2 procent reële groei plus 2 procent inflatie – blijft de schuld van de overheid dan hangen op de huidige 60 procent van het bbp.

De som klopt, maar de redenering niet. Bij een permanent tekort van 2,4 procent schuiven politici de financiële problemen door de vergrijzing slechts een beperkt aantal jaren voor zich uit. Op het moment dat AOW- en zorguitgaven oplopen, zullen immers direct alsnog lastenverzwaringen en bezuinigingen nodig zijn om te voorkomen dat het tekort hoger wordt dan 2,4 procent. Bovendien is een aanhoudend tekort van 2,4 procent van het bbp in strijd met afspraken die de eurolanden met elkaar hebben gemaakt.

Weliswaar schenden Duitsland en Frankrijk deze norm al vier jaar, vooralsnog straffeloos, maar dat kan geen argument zijn om financiële problemen door de vergrijzing door te schuiven naar latere generaties.

De psalmnorm verplicht nú voor minder bedeelden op te komen, maar op zo'n manier dat de financiële toekomst van de armen van straks niet wordt bedreigd. Dat kan door het tekort (volgend jaar 9 miljard) en de schuld van de overheid (300 miljard) in de nabije toekomst stapsgewijs terug te brengen.

    • Flip de Kam