Mismanagement bij VN

De Verenigde Naties zijn niet te vergelijken met een overheid of een bedrijf. Deze wereldorganisatie wordt bestierd door 191 overheden met onderling tegengestelde ideologieën en regeringsvormen. Het dagelijkse bestuur, de Veiligheidsraad, reflecteert met zijn vijf permanente leden, drie Europese, Amerika en China, niet langer de machtsverhoudingen in de wereld en is bovendien verdeeld. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, moet als diplomaat schipperen tussen al die belangen en regeringen. Een hiërarchie ontbreekt.

De geringe macht van het VN-secretariaat en het wankele bestuur van de Verenigde Naties komen tot uiting in het rapport van de onafhankelijke onderzoekscommissie over het management van het olie-voor-voedselprogramma in Irak. Dit programma was in 1996 begonnen om de Iraakse bevolking niet te laten verhongeren ten gevolge van de sancties die sinds de verovering van Koeweit door Saddam Hussein in 1990 tegen Irak waren ingesteld. De sancties werden gecontinueerd toen Saddam zich niet hield aan de eisen tot ontwapening en wapeninspecties. In 1996 mocht de Iraakse regering toch olie verkopen in ruil voor voedsel en medicamenten. Dit programma werd bestierd door de secretaris-generaal en de Veiligheidsraad.

Het mandaat en de voorwaarden van het programma waren onduidelijk. De Iraakse regering had grote onderhandelingsvrijheid, waardoor Saddam van de 100 miljard 1,8 miljard euro ten eigen bate kon aanwenden en bovendien voor 11 miljard dollar aan olie buiten het programma om naar het buitenland wist te smokkelen. De aanbestedingsprocedures deugden niet en de directeur van het programma, Benon Sevan, profiteerde persoonlijk van oliedeals. De zoon van de secretaris-generaal, Kojo Annan, maakte misbruik van de naam van zijn vader bij het verkrijgen van opdrachten en persoonlijke voordelen. Kofi Annan en de Veiligheidsraad hebben daarop te weinig toezicht uitgeoefend.

In het licht van het mismanagement is het een wonder dat de kritische onderzoekscommissie uiteindelijk belangrijke successen opsomt van het olie-voor-voedselprogramma. Het voorkwam dat Saddam Hussein massavernietigingswapens in handen kreeg – iets wat de Amerikaanse regering ten onrechte niet geloofde. En de Iraakse bevolking kreeg ondanks de boycot toch medicijnen en voedsel.

Duidelijk is dat de positie van Kofi Annan door dit rapport ernstig is verzwakt, hoewel de commissie hem niet heeft beschuldigd van corruptie. Maar ook als er naar een nieuwe secretaris-generaal moet worden gezocht – en dat is raadzaam – zal die een diplomatieke functie moeten uitoefenen, omdat de bestuurlijke verdeeldheid van de Verenigde Naties niet is te verhelpen. Halfslachtige mandaten en onduidelijke voorwaarden zijn het resultaat van de verdeeldheid van de Veiligheidsraad.

De aanbevelingen voor beter management moeten door de Verenigde Naties ter harte moeten worden genomen. De Amerikaanse regering heeft al eerder het voortouw genomen door verbetering van het management te eisen. Geen enkel VN-lid kan zich verzetten tegen de aanbevelingen van de commissie tot benoeming van een uitvoerend manager voor speciale programma's, goede boekhouding en controle en deugdelijke aanbestedingsprocedures. Een onafhankelijke rekenkamer kan toezicht achteraf uitoefenen op de budgettering en personeelsvoorziening.

De Verenigde Naties zijn onmisbaar, dat was ook zo bij het olie-voor-voedselprogramma, maar volmaakt zal de organisatie nooit worden. Gedegen controle, beter management en openbaarheid – zoals met dit onderzoeksrapport – kunnen de uitvoering verbeteren van plannen waar de VN-leden het wel over eens zijn.