Justitiële uitglijder vereist uitleg 2

De door nieuwe onthullingen gewekte indruk dat het gerechtshof in de zaak tegen Cees B. welbewust onjuist is geïnformeerd (NRC Handelsblad, 6 september), is helaas niet weggenomen door de reactie van de voorzitter van het college van procureurs-generaal in Nova. Deze was namelijk vooral gericht op het in de luwte brengen van de in opspraak gekomen advocaat-generaal en verre van overtuigend ten aanzien van de veel belangrijker vraag of het justitiële onderzoek als geheel nu wel of niet een toets aan eisen van integriteit kan doorstaan.

Kernpunt is dat de advocaat-generaal bij het hof onmiskenbaar het beeld heeft gewekt dat het DNA-onderzoek aan de veter waarmee Nienke gewurgd is, niets had opgeleverd, noch in belastende noch in ontlastende zin.

Het requisitoir is op dit punt glashelder: ,,Onderzoek aan de veter waarmee Nienke was gestranguleerd heeft geen resultaat gehad, ook niet met de zogenoemde LCN-methode''.

Het is onthutsend nu te moeten vernemen dat er toen al sprake blijkt te zijn geweest van een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut die aangaf dat er op dezelfde veter het DNA-profiel aangetroffen was van een (toen nog) onbekende derde persoon. Materiaal waarover de deskundige blijkt te hebben geconcludeerd dat dit relevant was voor de bewijslevering en wel in ontlastende zin.

Jammer genoeg heeft de hoogste jurist van het OM in Nova gekozen voor een weinig professionele reactie op deze bizarre onthullingen door niet alleen al openlijk in twijfel te trekken dat aan de advocaat-generaal de ontlastende documentatie ter beschikking is gesteld, maar ook, vooruitlopend op de uitkomst van diverse lopende onderzoeken, nu al het beeld te wekken dat er weliswaar fouten zijn gemaakt, maar dat vaststaat dat er door alle betrokkenen niet tegen beter weten in is gehandeld.

In het licht van de ernstige beschuldiging dat óók in onze moderne rechtsstaat er mensen op cruciale posities werkzaam zijn die geen moeite hebben om medewerking te verlenen aan een processtrategie van `barbertje moet hangen', is het een zéér slechte zaak dat hierop op het hoogste niveau zó vooringenomen is gereageerd.

Gezien de grote in het geding zijnde rechtstatelijke belangen is te hopen dat de Tweede Kamer persisteert in haar verzoek om het verkrijgen van een glasheldere uitleg.