Hele universiteit internationaliseren is onzin

Ongebreidelde internationalisering van de Nederlandse universiteiten is paniekvoetbal. Het moet niet meer, maar vooral beter, vinden Bart van Ark en Arjen van Witteloostuijn.

Het jaarlijkse ritueel van openingsredes door rectores en andere vooraanstaande sprekers aan de Nederlandse universiteiten heeft zich weer voltrokken. Ditmaal riepen de sprekers vrijwel unaniem op tot grotere inspanningen om het aantal buitenlandse studenten op te voeren. De Groningse rector, Frans Zwarts, voorspelde zelfs een `onvoorstelbare ramp' als het percentage buitenlanders aan onze universiteiten niet snel omhoog gaat.

Zulke dramatische woorden zijn goeddeels terecht, want echt goed gaat het niet met de groei in het aantal buitenlandse studenten. Hiervoor zijn diverse redenen aan te voeren:

Allereerst is de concurrentie om de buitenlandse student moordend. Behalve Nederland hebben andere Europese landen inmiddels ook ontdekt dat er meer buitenlandse studenten moeten komen om te kunnen overleven in de mondiale kenniseconomie. De spoeling wordt dus steeds dunner.

Een tweede oorzaak is dat Aziatische studenten, en met name die uit China, steeds meer in eigen land blijven nu de kwaliteit van de opleidingen aldaar sterk verbetert. Dat laatste vergroot de paniek bij de universitaire bestuurders, want alleen van niet-EU studenten kan men momenteel ongelimiteerde collegegelden vragen.

Ten slotte is de marketing van internationale opleidingen een vak apart. Met een goede website, glossy brochures en een pakkende slogan red je het niet meer. Strategische allianties tussen universiteiten in verschillende landen worden steeds belangrijker. Hierdoor wordt de uitwisseling van studenten en docenten bevorderd, kan beter worden geselecteerd, kunnen dubbele diploma's van beide universiteiten worden uitgegeven, en kunnen complementariteiten tussen opleidingen worden ontwikkeld. Succesvolle strategische allianties vereisen echter een lange adem en veel onderhoud, die zich niet onmiddellijk vertalen in gouden bergen.

Dit alles veroorzaakt nu een paniekreactie onder universitaire bestuurders. Het percentage buitenlanders moet snel worden opgevoerd naar 30, 40 of zelfs 50 procent van het totale aantal studenten. En als het even kan, moet alles en iedereen op de internationaliseringskar. De vruchten van zo'n ongebreidelde internationalisering zullen echter zuur smaken. Het is hetzelfde als met elk ander strategisch voordeel dat een organisatie ontwikkelt: als alle concurrenten het ook gaan doen, dan levert het na verloop van tijd geen enkel voordeel meer op.

Universitair Nederland moet dus op zoek naar zijn `comparatieve voordelen', in onderzoek maar ook in onderwijs. Tegelijkertijd alles internationaliseren leidt tot verspilling van energie en middelen. Volledig terecht heeft de NUFFIC aangegeven dat de 20 miljoen euro extra die door het kabinet is toegezegd voor buitenlandse beurzen weggegooid geld is, als dit geld niet doelgericht wordt ingezet. Hoe moeten de keuzes worden gemaakt?

Allereerst is net als bij academisch onderzoek kwaliteit (`top' in de volksmond) van de opleiding een belangrijk criterium. Maar door alles `top' in het Engels te doen heb je nog geen goede internationale opleiding. Het onderwijsmateriaal moet veelal opnieuw worden ontwikkeld (een Chinese student komt hier veelal niet om alles te willen weten over de geschiedenis van het monetaire beleid van Nederland); de onderwijsmethoden moeten worden aangepast (Nederlandse studenten zijn in het `studiehuis' doodgeknuffeld met groepswerk, terwijl de meeste Aziatische studenten hun professor nog nooit hebben tegengesproken); de benadering van studenten verlangt maatwerk (de Nederlandse zesjesmentaliteit staat haaks op de Duitse en Chinese werkijver); en niet alleen de samenstelling van de studentenpopulatie, maar ook die van de staf moet worden geinternationaliseerd.

Een tweede criterium voor een succesvolle internationale opleiding is het creëren van een `niche'. International business-opleidingen zijn inmiddels schering en inslag, zodat profilering moet worden gezocht met behulp van een duidelijke thematische inslag of juist een brede combinatie met andere disciplines.

Verder moeten de universiteiten - of beter nog de opleidingen - vooral de ruimte krijgen voor hun eigen profilering. Internationaliseren is risicovol, en het monster van ongebreidelde bureaucratie en controle ligt daarom op de loer. De overheid en universitaire bestuurders moeten er aan wennen dat alleen het resultaat moet tellen. Twee- of vierjaarlijkse visitaties zijn in principe voldoende om kwaliteit te garanderen.

`Merkbekendheid' helpt natuurlijk, maar mooie klassieke namen als Leiden, Utrecht, Amsterdam en Groningen klinken voor de internationale student toch anders dan Harvard, Oxford of Cambridge. Alleen met goede inhoud kunnen we internationaal de concurrentie aan. Geen tijd voor paniek dus, maar wel voor duidelijke keuzes. Het hoeft niet direct meer, maar vooral beter.

De auteurs zijn beiden als hoogleraar verbonden aan de vakgroep International Economics and Business van de Rijksuniversiteit Groningen.