`Bescherming van boerennatuur stelt niets voor'

Een kabinet dat de ambitie heeft om de natuur te versterken, moet de besluiten daarover niet overlaten aan gemeenten, aldus de Natuurbalans.

Het Nederlandse natuurbeleid staat of valt met de kwaliteit van de Ecologische Hoofdstructuur. Met deze term wordt in het Haagse jargon een groot aantal gebieden genoemd die over dertien jaar de bestemming natuur moeten hebben, en die liefst onderling verbonden moeten zijn. Tot de aanleg van deze `ecologische ruggengraat' van Nederland werd vijftien jaar geleden besloten. De Veluwe valt eronder, maar ook minder bekende gebieden zoals de duinen bij Den Helder of de Engbertsdijksvenen in Overijssel. De ecologische hoofdstructuur ligt aardig op schema, zo melden de onderzoekers van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) in de Natuurbalans 2005, het jaarlijkse rapport over natuur en landschap in Nederland dat vandaag is aangeboden aan minister Veerman (LNV). Maar de bedreigingen zijn groot.

De Natuurbalans moet vooral worden gezien, zegt MNP-directeur prof. Klaas van Egmond, als een oproep om deze laatste kans niet om zeep te helpen, en te voorkomen dat er ,,onomkeerbare'' veranderingen in het landschap optreden. Als straks de ecologische hoofdstructuur is voltooid, dan bestaat ruim de helft daarvan uit grote aaneengesloten gebieden, zoals de Veluwe, de beekdalen in Groningen en Drenthe en de uiterwaarden van de grote rivieren. Maar de overige gebieden in die ecologische hoofdstructuur zijn óf versnipperd, zodat hun waarde beperkt is, óf ze bestaan vooral uit kleine `parels', zoals het laatste restje hoogveen in Nederland. Van Egmond: ,,De hamvraag is nu: gaan we van die versnipperde gebieden alsnog aaneengesloten natuur maken, of gaat die nu nog bestaande mogelijkheid voorgoed verloren onder de grote druk op de Nederlandse ruimte.''

De grootste bedreiging voor de natuur in Nederland, stelt het NMP, is het gebrek aan planologische bescherming. Jarenlang zijn gebieden tot natuur bestemd doordat het rijk deze gronden aankocht en in beheer gaf aan Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten of een van de provinciale Landschappen. Maar dat begon duur te worden en bovendien, zo redeneerde het kabinet-Balkenende, zou het de betrokkenheid voor natuurbeheer ten goede komen als ook boeren en particulieren eraan mee mochten werken. Vandaar dat de komende jaren ruim de helft van de nog in te richten natuurgronden, in totaal zo'n honderdduizend hectare, door particulieren en boeren zal worden beheerd. De belangstelling daarvoor blijkt echter niet groot, zo stelt de Natuurbalans, en ook om andere redenen is deze `omslag' in het beleid risicovol te noemen.

Van Egmond: ,,De continuïteit van de natuur die door boeren wordt beheerd, is niet gewaarborgd. Particulieren die hun land omzetten in natuur worden gecompenseerd voor de waardedaling van de grond. Hun grond krijgt de bestemming natuur, en mag niet worden bebouwd tenzij daar grote maatschappelijke belangen mee gediend zijn. Dat `nee, tenzij' principe ontbreekt bij agrarisch natuurbeheer. Dat kan betekenen dat een boer die wilde natuur heeft, weer kan overstappen op de teelt van maïs, of dat er wegen of huizen op dat land kunnen worden gebouwd.'' Dat deze boerengrond binnen de ecologische hoofdstructuur valt, maakt niet uit. Van Egmond: ,,De planologische bescherming stelt niets voor.'' Is het wellicht raadzaam om ook boerennatuur onder de werking van de Natuurbeschermingswet te brengen? ,,Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn'', aldus Van Egmond.

Behalve waardevolle natuur is er ook zoiets als waardevol landschap. De belangstelling daarvoor is de laatste jaren gegroeid. Het kabinet heeft onlangs twintig Nationale Landschappen aangewezen die het beschermen waard zijn. Maar hun status is onzeker, stelt de Natuurbalans. De landschappen zijn op zichzelf wel goed gekozen, maar ook hier zal het van de goede wil van gemeentebesturen afhangen in hoeverre die bescherming iets voorstelt. Er is niet goed geregeld wat er gebeurt als een gemeente z'n lokale belangen laat prevaleren en er bedrijventerrein aanlegt. Van Egmond: ,,Het gemeentelijke bestemmingsplan bepaalt uiteindelijk wat er staat.'' Daar komt nog bij dat het rijk veel te weinig geld beschikbaar stelt voor deze landschappen; jaarlijks twintig miljoen euro waar ongeveer het tienvoudige vereist is, aldus de Natuurbalans.

En zo kan het gebeuren, stelt het MNP, dat ondanks alle goede bedoelingen Nederland langzaam dichtgroeit met steen. Van Egmond noemt als voorbeeld het gebied tussen de Veluwe en Salland dat bebouwd dreigt te worden, alsmede de opmars van de glastuinbouw. Van Egmond: ,,De planologische onzekerheid en de hoge grondprijzen leiden ertoe dat het steeds moeilijker wordt om te voorkomen dat de verglazing in het Groene Hart toeslaat.'' Vandaar de ,,noodkreet'' van het Planbureau om toch vooral niet alles te decentraliseren maar ,,het huis van Thorbecke overeind te houden'' en ervoor te zorgen dat de provincie toezicht blijft houden op het beleid van de gemeenten.

Ook met de kwaliteit van de natuurgebieden is het matig gesteld, aldus de Natuurbalans. De soortenrijkdom daalt al jaren en ondanks enkele successen is het twijfelachtig of Nederland zal voldoen aan de verplichting om de biodiversiteit op peil te houden. De reactie op dit falen moet echter niet zijn, aldus het MNP, om je blind te staren op de terugkeer van verdwenen soorten, zoals de otter of de grutto. Van Egmond: ,,Onze boodschap is: zorg voor de het scheppen van voorwaarden waaronder waardevolle natuur kan terugkeren en fixeer je niet op de terugkeer van diersoorten. We moeten niet alle aandacht focussen op de zeggekorfslak. En als er ergens een kamsalamander opduikt waar we een boomkikker hadden verwacht, dan is dat nog geen reden om het beheer niet succesvol te noemen. De maakbaarheid van de natuur is maar betrekkelijk.''

    • Arjen Schreuder