Weg met conservatisme in onderwijs

Het hoger onderwijs moet radicaal veranderen, vindt Wouter Bos. Regels zijn op in veel opzichten belangrijker geworden dan gezond verstand.

Toen ik in november 2002 partijleider werd, stuitte ik op een paradox. In een heleboel opzichten was onderwijs een onderwerp 'van' de Partij van de Arbeid. We hadden veel en vaak ministers en staatssecretarissen geleverd, we waren goed vertegenwoordigd in allerlei raden, organen en besturen we zijn dat nog steeds. Maar ging ik praten met onderwijzend personeel, dan kantelde het beeld totaal. Werden we soms zelfs geháát.

We stonden symbool voor dat wat de onderwijswereld had gekgedraaid: de over elkaar buitelende hervormingen die vanuit Zoetermeer over onderwijsland waren uitgerold. Vaak over de hoofden van de mensen heen die binnen dat steeds weer veranderende systeem hun werk moesten doen. Wij trokken de conclusie dat we meer ruimte moesten laten voor experimenten van onderop; niet op elk probleem een stelselherziening los laten; meer ruimte voor mensen om vanuit hun eigen professionaliteit zaken ten goede te keren.

Als je de statistieken bekijkt, staat ons hoger onderwijs er nog altijd goed voor. Nederlandse studenten scoren als je internationaal vergelijkt, ontegenzeggelijk hoog. Daar staat tegenover dat we qua uitgaven ver onder het EU-gemiddelde zitten. Alle onderzoeken laten zien dat het bedrag per student de laatste jaren is gedaald. Optimisten zullen zeggen dat we heel doelmatig bezig zijn. En pessimisten zullen zeggen dat de kwaliteit altijd vertraagd op de investering reageert, en dat we dus vroeg of laat de rekening gaan betalen voor de lagere uitgaven.

De - ik chargeer - linkse stelling dat meer uitgaven betekent meer kwaliteit is eigenlijk net zo plat als de - en hier chargeer ik ook - rechtse stelling dat minder uitgaven leidt tot meer doelmatigheid.

De vraag naar meer of minder geld is minder interessant dan de vraag of we er op dit moment uit halen wat er in zit. Want er speelt wel het één en ander om ons zorgen over te maken. Docenten die vertellen dat zij hun werk geweldig vinden, maar gek worden als gevolg van de overvloed aan management en Haagse regels. Studenten die vertellen dat zij hun opleiding te gemakkelijk vinden en zich vervelen, schoolbestuurders die zich beklagen over de bedilzucht van Den Haag. Regels zijn in een heleboel opzichten belangrijker geworden dan gezond verstand. Ook het hoger onderwijs is een risicomijdend systeem geworden. Onze publieke sector is inmiddels zo vergeven van regels dat innovaties vooral dáár plaatsvinden waar mensen de moed hebben met Haagse regels te breken.

Tussen de 25 en 57 procent van de uitgaven voor het hoger onderwijs, gemiddeld 41 procent, wordt uitgegeven aan zogeheten secundaire uitgaven: bestuur, beleid en beheer. Geld dus dat opgaat aan vergaderen, toezicht en andere bureaucratie. Alleen de Haagse departementen scoren in Nederland hoger, met gemiddeld 44 procent. Dat is natuurlijk doodzonde.

Dat gevoel wordt nog verder versterkt als we ons realiseren dat in het hoger onderwijs de categorie ondersteunend en beheerspersoneel in 11 jaar tijd met 39 procent is gestegen terwijl de uitgaven aan docerend personeel slechts met één procent is gestegen. Zeshonderd miljoen erbij in de laatste negen jaar, maar grote onzekerheid of het eigenlijk wel terecht is gekomen waar dat de bedoeling was.

Keuzevrijheid voor student

De student moet opnieuw centraal komen te staan in het onderwijs. Die moet een zo groot mogelijke keuzevrijheid hebben. Ik ben geen keuzevrijheid-fanatiekeling. Eén van mijn meest fundamentele kritieken op dit kabinet is dat men ervan uit lijkt te gaan dat alle burgers mondig en geëmancipeerd zijn en allemaal niets liever lijken te willen dan eindeloos te mogen kiezen. Tussen energieleveranciers, zorgverzekeraars, kinderopvanginstellingen, pensioenverzekeraars en ga zo maar door. Het is een opvatting die eraan voorbij gaat dat heel veel mensen niet mondig, geemancipeerd en geïnformeerd genoeg zijn om dat consumentengedrag aan te kunnen. Dat een heleboel mensen, zelfs als ze wél mondig, geëmancipeerd en geïnformeerd zijn, helemaal niet de behoefte hebben om steeds weer te moeten kiezen. Die willen bepaalde zekerheden, over kwaliteit, toegankelijkheid en zij willen zekerheid dat zij krijgen wat zij verlangen en zijn bereid daarvoor te betalen – vaak ook bereid daar iets méér voor te betalen.

Maar ik geloof dat nu net het hoger onderwijs een sector is waarbij de gebruikers die keuzevrijheid zonder meer aan kunnen. Juist hier is sprake van een groep burgers van wie we mogen verwachten dat ze wel mondig en goed geïnformeerd zijn, dat ze nadenken over hun toekomst, over de vraag wat ze willen met hun leven, over de vraag hoe ze hun keuzes financieren.

Bovendien is het in het belang van de student dat het bestel wordt opengebroken en dat vormen van selectie mogelijk worden, omdat de kans op maatwerk daardoor toe zal nemen. Ons onderwijssysteem, ook in het hoger onderwijs, draait veel te veel rond de gemiddelde student. En de stap van gemiddeld naar middelmaat is een heel kleine. Juist omdat ik denk dat onderwijs alleen maar belangrijker zal worden, moeten we weg van een systeem dat draait op gemiddelden en moeten we toe naar een systeem dat maatwerk levert.

Deze discussie wordt vaak, ook in eigen kring, in een vroegtijdig stadium de nek omgedraaid omdat dan iemand roept 'marktwerking'! Laat ik daar duidelijk over zijn. Het hoger onderwijs is geen markt. Marktwerking is niet aan de orde. De overheid dient over publieke belangen te waken waarvan de financiële toegankelijkheid één van de belangrijkste, misschien wel de belangrijkste is.

Maar laten we marktwerking niet verwarren met ondernemerschap. Voor ondernemerschap, initiatief, creativiteit en innovatie dient het bestel wél open te staan. En laten we consumentisme niet verwarren met keuzevrijheid. De student is geen consument, maar dat betekent niet dat we hem of haar keuzevrijheid moeten onthouden. En tenslotte, laten we niet doen alsof selectie per se betekent dat mensen uitgesloten worden. De uitdaging zou moeten zijn dat we selectie zo inrichten dat maatwerk geboden wordt, voor iedereen een plek waar zijn of haar talent tot zijn recht komt.

Vijf nieuwe spelregels

Hoe gaan we dat doen? Eén ding kunnen we in ieder geval leren van de afgelopen dertig jaar: dat doen we níet door te proberen alles gedetailleerd vanuit Den Haag te regelen. Maar wat dan wel? Door een beperkt aantal spelregels voor het onderwijs te veranderen. Spelregels die meer ruimte geven voor vernieuwing, die excellentie van studenten belonen en die de docenten en de instellingen ruimte geven voor eigen initiatief.

De student moet centraal staan.

In 2007 verandert de bekostiging van het hoger onderwijs ingrijpend met de invoering van leerrechten. Studenten krijgen hierdoor hopelijk meer te zeggen over hun eigen opleidingen. Instellingen meer prikkels om kwaliteit te leveren. We hadden de student graag nog meer macht gegeven. Bijvoorbeeld door het mogelijk te maken dat de leerrechten ook elders in Europa uitgegeven mogen worden; van Rutte mag dat niet, een beperking waarvan ik overigens nog moet zien of die europeesrechtelijk stand zal blijken te houden.

Ruimte voor kwaliteit.

De PvdA is voor selectie aan de poort en differentiatie van collegegelden, maar wel onder voorwaarde dat er een ander stelsel van studiefinanciering komt dat gelijke kansen garandeert. Dat hoeft niet te betekenen dat kwaliteit en toegankelijkheid onder druk komen. In Finland gaan per hoofd van de bevolking meer studenten naar het hoger onderwijs dan hier en toch selecteren de Finnen aan de poort. Voor iedereen die selectie een te 'rechts' woord vindt, zeg ik: laten we het dan over maatwerk hebben. Het gaat mij er om dat we de eenvormigheid doorbreken, zodat de kans maximaal wordt dat iedere student iets kan vinden dat bij hem of haar past. Dat gaat niet zonder de onderwijsinstelling de ruimte te bieden een eigen aanbod te ontwerpen, kwaliteitsregels te hanteren en studenten te selecteren. En daar is niets mis mee zolang uiteindelijk elke student met voldoende vooropleiding ergens terecht kan.

Selectie heeft ook niet veel te maken met toegankelijkheid. Het is belangrijk dat goed te begrijpen want toegankelijkheid is mijns inziens het publieke belang dat in deze discussie bescherm moet worden. Toegankelijkheid heeft volgens mij nooit betekend dat elke opleiding voor iedereen toegankelijk moet zijn, ongeacht intellectuele of andere capaciteiten. Toegankelijkheid betekent vooral dat iedereen, ongeacht zijn of haar financiële positie, de mogelijkheid krijgt een opleiding te volgen waar haar of zijn talent maximaal tot zijn recht komt, waar hij of zij het beste uit zichzelf kan halen. Dat lukt niet bij een te eenvormig onderwijsaanbod.

Waardeer en beloon excellentie.

Het is een illusie dat elke opleiding in het hoger onderwijs van dezelfde kwaliteit is. Voor extra kwaliteit kan ook een ander prijskaartje gelden. Hoe moeten instellingen dat anders organiseren? We mogen daarbij ook studenten én bedrijven vragen extra te investeren. Als maar duidelijk is wat een student daarvoor krijgt.

Brengt dat dan de toegankelijkheid in gevaar? Dat hoeft niet, als je je studiefinancieringsstelsel maar goed inricht. Het heeft mij altijd verbaasd hoe ontspannen in linkse kring over het studiefinancieringsstelsel werd gesproken terwijl de herverdelingseffecten daarvan nog erger zijn dan van de hypotheekrente-aftrek. Het is bij uitstek een systeem waarbij geld van lage inkomens naar hoge inkomens gaat. Een systeem waarbij studenten in principe alles kunnen of zelfs moeten lenen wat ze nodig hebben om te studeren, garandeert toegankelijkheid. Een terugbetalingssysteem dat rekening houdt met inkomen garandeert rechtvaardigheid.

Stel universiteiten en hogescholen gelijk.

Het binaire stelsel creëert tegenstellingen die er niet zijn. We zien het stelsel overal piepen en kraken. Laten we de stammenstrijd afschaffen. Natuurlijk, hogescholen en universiteiten hebben ieder hun eigen functie. Maar het gaat om de functie, niet de organisaties. Die functies komen het beste tot hun recht in één bestel waarin degene die het beste een functie kan uitvoeren het geld krijgt. Of een hogeschool dan toegepast onderzoek doet, een universiteit een beroepsopleiding biedt of beiden gefuseerd zijn tot een hoger onderwijsinstelling, maakt mij niet uit. Nieuwe partijen, commerciële partijen, partnerships, ik zie niet in waarom daar zo krampachtig op moet worden gereageerd. Mij gaat het om het belonen van ambitie en talent van mensen die het werk doen: docenten, onderzoekers en studenten. Ik heb geen probleem met een grote variëteit aan diploma's, met allerlei nieuwe mengvormen die toegespitst zijn op het maatwerk dat bij de diversiteit van de studentenpopulatie past, zolang het niveau maar gewaarborgd is. Een wetenschappelijk diploma moet wel wetenschappelijk blijven.

Schep ruimte voor experimenten.

In plaats van vernieuwing centraal te plannen, moet er ruimte komen voor vernieuwing van onderop. De ervaring leert dat concurrentie tussen instellingen een zeer effectief middel is om te zorgen dat vernieuwingen worden gejat van elkaar. En dat is precies wat we willen.

Stop conservatisme

Het hoger onderwijs kan zich niet al te veel conservatisme veroorloven. De wereld draait keihard door. De economische toekomst van Nederland zal onlosmakelijk verbonden zijn met het succes van ons onderwijssysteem. Loonmatiging is altijd belangrijk want goedkoper zijn is altijd welkom maar het is natuurlijk in steeds mindere mate voor een land als Nederland een winnende strategie. Ten eerste omdat we de race om wie de goedkoopste is nooit zullen winnen van sommige Aziatische en Oost-Europese landen. Maar daarnaast ook omdat het al lang niet meer de lage-lonenbanen zijn waarop we beconcurreerd worden. De kennisbanen gaan net zo hard. Alleen al in China komen er dit jaar ongeveer 600.000 hoog-opgeleide ingenieurs bij, die ongeveer een achtste verdienen van een Nederlands salaris. Wie niet goedkoop is, moet slim zijn. Dat lukt niet zonder goed onderwijs. Dat vergt investeringen, meer dan die nu gedaan worden. Maar hogere investeringen hebben geen enkele zin als ze verdwijnen in overhead en eenheidsworst.

Wouter Bos is lid van de Tweede Kamer en fractievoorzitter van de PvdA. Dit is een ingekorte en licht bewerkte versie van de toespraak die hij vanmiddag bij de opening van het academisch jaar hield aan de Hanzehogeschool Groningen.

www.nrc.nl/opinie

Volledige tekst

    • Wouter Bos