Ruimte voor wandelaars

Het moerasgebied van de Oostvaardersplassen in de Flevoland-polder mag niet worden verward met de wilde natuur van gure steppen of hete tropische regenwouden. Het is een door mensen beheerd park, zoals het Amsterdamse Vondelpark of natuurpark De Hoge Veluwe. Dit door Staatsbosbeheer beheerde terrein van 6.000 hectare ontstond achter de dijken na de inpoldering van een stuk IJsselmeer. Om het moeraspark met zijn unieke vogelsoorten in stand te houden en om nieuwe exotische soorten aan te trekken, hebben de beheerders er grote grazers uitgezet die de jonge loten moeten opeten voor er een bos uit kan ontstaan. Na grote sterfte dit voorjaar lopen er nog ruim 2.300 edelherten, paarden en runderen rond.

Sommige biologen hopen hier de biotoop uit de oertijd te herscheppen. Maar het blijft een openluchtmuseum, want menselijk ingrijpen kan niet worden vermeden. In de oertijd waren de graasgebieden niet omringd door autowegen en steden. Er zijn ook geen wolven en beren die de zwakke dieren opeten. Afgelopen winter zijn er 700 dieren ziek en hongerig geworden en meestal door afschot uit hun lijden verlost. Dit afschot is humaan.

Grote grazers die het weidegebied van de Oostvaardersplassen onderhouden, besparen de mensen werk. Maar in hun taak voor mensen onderscheiden die grazers zich niet van zwartbonte koeien in het groene hart van Holland. Vandaar dat de Raad voor Dierenaangelegenheden de grazers als gewone 'gehouden' dieren beschouwt. Dat stelt de raad in een advies dat hij gisteren aan minister Veerman (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, CDA) uitbracht. Maar ook als de grazers door de overheid als wilde, 'niet-gehouden' dieren worden beschouwd, hebben ze volgens de raad meer verzorging nodig en mogen ze niet onnodig lijden. Er is geen enkele reden om de Oostvaardersplassen met twee keer zoveel grote grazers te bezetten als het park aankan. Het advies komt aan de vooravond van een Kamerdebat met de minister over dit onderwerp. De raad adviseert om het aantal grote grazers in de Oostvaardersplassen te halveren. Dat kan door geboortebeperking en door gericht afschot van dieren waarvan dan – net als van zwartbonte koeien – het vlees kan worden gegeten. Ook moeten dieren bij voedselschaarste kunnen worden bijgevoerd.

De raad adviseerde eerder dat de burger ,,vertrouwd moet worden gemaakt'' met deze vorm van beheer door grazers. Helaas heeft de burger nauwelijks toegang tot het Oostvaarderspark. In een klein hoekje zijn paden gemaakt, een modelbiotoopje waar de talrijke wandelaars elkaar op de hielen zitten. Alleen in een voortgetrokken bolderkar mogen burgers onder leiding van een boswachter het grote gebied in. Wandelen is er verboden. Als bezoekers niet in de bolderkar kunnen, moeten ze vanaf parkeerplaatsen langs de autoweg op de dijk of vanaf vogelkijkhutten het uitgestrekte gebied bekijken.

Deze toegangsbeperking tot een belangrijk natuurgebied aan de grens van de dichtbevolkte Randstad is ongewenst. Als de kudde van grote grazers wordt gereduceerd, moeten er meer mogelijkheden komen voor wandelaars om te kunnen genieten van dit door de gemeenschap onderhouden park. Dat is niet alleen voor nieuwe-natuurbiologen bestemd. De Oostvaardersplassen zijn geen Serengetipark. Daar is Nederland te klein en te dichtbevolkt voor. Ook in de Hoge Veluwe bestaat vreedzame coëxistentie tussen grote grazers en mensen. Lichaamsbeweging is belangrijk. Behalve runderen en edelherten horen menselijke wandelaars ruimte te krijgen in de Oostvaardersplassen, want zij behoren evengoed tot de natuur.