`Justitie zou het NFI eens wat vaker moeten bellen'

DNA-deskundigen beschrijven in hun rapportage precies wat ze aantreffen. Maar niet altijd wordt die informatie goed begrepen.

,,Het is een complexe keten van beslissingen die bepaalt hoe de uitslagen van DNA-onderzoek in een rapport terecht komen.'' Dat zegt hoogleraar Peter de Knijff, hoofd van het forensisch laboratorium voor DNA-onderzoek in Leiden, over de interpretatie van onduidelijke DNA-profielen. Zijn lab, gevestigd aan het Leids Universitair Medisch Centrum, voert voor het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) aanvullende tests uit en doet contra-expertises.

Bij de zaak-Nienke werd De Knijff pas in de lente van 2004 betrokken, toen duidelijk werd dat Cees B. niet de dader was in de zaak. Hij weet dus niet wat er over de vijf omstreden sporen in het NFI-rapport is geschreven.

Maar onduidelijke profielen ontstaan vaak, vertelt hij. Hoe die vervolgens worden gerapporteerd en hoe ze worden gebruikt – dat is niet alleen aan het NFI.

Volgens het tv-programma Netwerk werden er op het lichaam van Nienke, haar kleding en de veter waarmee ze werd gewurgd, zeven DNA-sporen aangetroffen. Vijf daarvan zouden weliswaar onvolledig en niet volledig zuiver zijn geweest, maar een NFI-medewerker zou er toch een daderprofiel in hebben gevonden.

Onzuivere sporen komen regelmatig voor, vertelt De Knijff: ,,Vooral als je een gemengd DNA-profiel vindt, met DNA van verschillende personen erin.''

Het NFI probeert van DNA in een spoor tien verschillende unieke kenmerken te bepalen. De combinatie daarvan geeft een `volledig profiel'. Maar als er DNA van meerdere personen in het spoor zit, kan er vaak maar op zeven of acht kenmerken uitsluitsel gegeven worden – in de andere kenmerken is dan variatie te vinden. Er is dan een `gedeeltelijk profiel'. De Knijff: ,,De variatie in die twee of drie kenmerken moet dus afkomstig zijn van anderen. Of het andere DNA van de slachtoffers zelf is, kun je uitsluiten.''

De Knijff: ,,Een NFI-medewerker zal dan in zijn rapportage beschrijven dat er dus DNA van een andere persoon in het spoor zat. Vervolgens wordt die rapportage binnen het NFI samengevat – informatie over zulke variatie hoort daar volgens de protocollen in te zitten. Het eindrapport gaat vervolgens naar het OM.''

Hoe het NFI de informatie over een `andere persoon' interpreteert, verschilt. ,,Een medewerker kan niet zeggen: `dit is een daderprofiel'.'' Procureur-generaal Brouwer suggereerde gisteren in Nova dat het NFI de vijf sporen juist vanwege die `ruis' uit zijn eindrapport zou hebben gehouden.

Volgens De Knijff ontstaan fouten juist doordat het NFI moeilijk interpreteerbare informatie wel meldt, maar dat deze vervolgens niet door de officier van justitie, advocaat of rechter begrepen wordt. ,,Je hoort er nooit meer iets van, nadat je het in de brievenbus hebt gestopt. Ze zouden eens wat vaker moeten bellen als ze iets niet begrijpen.''

De afgelopen vijf jaar zijn de technieken voor DNA-analyse wel geavanceerder geworden. Er kan DNA worden geïsoleerd uit steeds kleinere sporen. Ook DNA van slechtere kwaliteit kan worden gebruikt. Maar geneticus De Knijff vraagt zich af of daardoor ook de kwaliteit van de opsporing is verbeterd. ,,Niet de techniek geeft de doorslag, maar alle factoren eromheen. Er zijn zoveel subjectieve factoren en er is niet altijd tijd om alle materiaal te analyseren.''

Zelfs lijkt het erop dat de communicatie tussen NFI en justitie met de voortschrijdende techniek alleen maar moeilijker is geworden. ,,We vinden steeds vaker gemengde en gedeeltelijke profielen. We proberen onze resultaten dan wel zo helder mogelijk te formulering, maar daar komt heel wat vakjargon bij kijken. En als wetenschappers kunnen we alleen maar toekijken, als we zien dat advocaten niet begrijpen wat we hebben opgeschreven.''