Benzineprijs past niet meer op Britse pomp

De Britse pomphouders zitten met een praktisch probleem, nu de benzineprijzen voor het eerst in de geschiedenis de 100 pence (1,50 euro) per liter dreigen te overschrijden. Hoe geven ze dat weer op hun pompen? Die zijn immers in de meeste gevallen slechts op prijzen tot een maximum van 99,99 pence ingesteld. Ook de grootste oliemaatschappijen in Groot-Brittannië, BP en Shell, samen goed voor zo'n 2.300 pompen, hadden nog niet direct een oplossing voorhanden. Ongelode benzine kost nu gemiddeld ruim 94 pence, diesel 97 pence.

Miljoenen Britse automobilisten hebben de forse stijgingen van de afgelopen weken met toenemende verontrusting gevolgd. Een gemiddeld gezin spendeert er al gauw 25 pond per maand extra door aan brandstof. Economen vrezen dat het toch al haperende consumentenvertrouwen er een nieuwe klap door oploopt.

Het hardst getroffen zijn autobezitters in afgelegen plattelandsgebieden. Daar vragen sommige pomphouders nu al prijzen van 100 pence (1 pond) per liter of zelfs meer. De RAC, een grote automobielclub, heeft de regering opgeroepen voor deze mensen de accijns op benzine te verlagen. Het ministerie van Financiën, dat zo'n 80 procent van de benzineprijs opstrijkt, voelt hier vooralsnog niets voor. Een woordvoerder van de RAC wijst erop dat het accijnspercentage de afgelopen paar jaar niet is verhoogd.

Intussen meldt EEF, een ondernemersverbond, dat sommige bedrijven serieus overwegen hun productie naar buitenlandse locaties te verplaatsen, waar de energieprijzen minder hoog zijn.