WW: geen vangnet maar trampoline

Het is tijd voor een concreet actieplan om de werkloosheid van laagopgeleiden aan te pakken, vindt Simon van Driel.

Vorig jaar luidde minister de Geus van Sociale Zaken de noodklok over het verdwijnen van laaggeschoold werk voor twee miljoen mensen. Dat zou leiden tot twee miljoen kanslozen op de arbeidsmarkt.

Het afgelopen jaar is het perspectief voor deze toekomstige werklozen – ondanks de recente positieve economische berichten – er niet beter op geworden. De vraag is welke maatregelen moeten worden genomen om dit doemscenario te voorkomen.

Duidelijk is dat de verantwoordelijke bewindspersoon dé oplossing nog niet heeft gevonden. Wel heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan het besef dat scholing een veel grotere rol moet spelen om mensen op de arbeidsmarkt te krijgen en te houden. De minister spreekt van een ontwikkeling naar een kennis- en diensteneconomie waarin mensen veel makkelijker van de ene baan naar de andere kunnen gaan. Kortom, werkzekerheid in plaats van baanzekerheid moet voorop komen te staan en die flexibiliteit kan worden bereikt via scholing.

Daarnaast wordt de periode dat mensen WW ontvangen verkort van 60 maanden naar 38 maanden, in de veronderstelling dat dit ook leidt tot meer actie aan de kant van de werklozen. Dit laatste gaat te veel uit van de aanname dat mensen louter financiële prikkels hebben om te werken. Repressief beleid wordt weer eens verward met activeringsbeleid.

Wat moet er gebeuren om het inktzwarte toekomstbeeld van zoveel extra werklozen te kunnen voorkomen? Daartoe moeten we eerst kijken wat er aan de hand is. Er is te weinig werk in de laagste loonschalen: te veel mensen – onder wie veel schoolverlaters – hebben een te laag opleidingsniveau. Daarbij speelt gebrek aan taalvaardigheid een grote rol. Bovendien hebben veel schoolverlaters geen `startkwalificatie' en is van veel mensen de startkwalificatie allang verouderd. Omdat er te weinig permanente (bij-)scholing is – training on the job - wordt deze tekortkoming niet ingehaald.

Dat heeft tot gevolg dat waar het werk steeds hogere eisen stelt, bij de eerste de beste reorganisatie de werknemers met de minste kwalificaties er ook het eerste uit moeten. Koppel hieraan het feit dat er landelijk gezien te weinig stageplaatsen zijn en ook te weinig mogelijkheden om werken en leren te combineren en het beeld is compleet. De urgentie van dit laatste is ook in Den Haag inmiddels onderkend. Zo is er onlangs een interdepartementale projectdirecteur aangesteld die leerwerktrajecten – combinaties van werken en leren – moet stimuleren.

Maar er is meer nodig. Er is dringend behoefte aan een actieplan met een integrale aanpak dat de volgende elementen bevat:

De WW moet veel activerender worden. Na twee maanden werkloos te zijn, moet er een verplichting tot (bij-)scholing komen. De WW moet niet slechts een verzekering (vangnet) zijn, maar een trampoline naar een nieuwe baan.

Er moet een einde komen aan de zogenaamde `end of pipe'-benadering waarbij iemand eerst ontslagen moet worden alvorens er activiteiten worden ontwikkeld om iemand bij te scholen. In CAO's moeten niet alleen meer afspraken worden gemaakt om werknemers tijdig voldoende scholingsmogelijkheden te bieden, ook moet er een duidelijke controle komen op de naleving van deze afspraken.

Het scala aan scholingsmogelijkheden moet samen gaan met financiële prikkels voor werkgevers en werknemers. Voor werkgevers zou er verlaging van de vennootschapsbelasting moeten komen, onder de voorwaarde dat zij in alle lagen van het bedrijf voor scholing zorgen. Voor werknemers moeten er prikkels komen in de vorm van belastingaftrek en scholingsforfait.

Verder moet een versoepeling van het ontslagrecht bespreekbaar zijn onder twee voorwaarden. Er moet een lange(re) opzegtermijn zijn van vier tot zes maanden. En het moet aantoonbaar zijn dat de werkgever er alles aan heeft gedaan om de vertrekkende werknemer goed uit te rusten voor een andere baan. Waar werknemers aantoonbaar niet meewerken is er geen extra drempel voor ontslag. Voordeel van deze maatregel is dat mensen makkelijker worden aangenomen maar dat het ook makkelijker is om een baan te vinden. Het solliciteert immers veel beter als je nog een baan hebt dan als je moet aangeven al maanden `bij de deur' te lopen.

Voor bestaande werklozen moet er een breed aanbod komen van specifieke scholing, stages, leerwerktrajecten en individuele coaching. Het aanbod zou veel meer maatwerk moeten zijn, qua inhoud en qua starttijd. Instellingen als CWI en UWV moeten hiertoe van elke werkloze een passend profiel maken. De gemeentelijke Sociale Dienst zou hetzelfde moeten doen voor werklozen in de Wet Werk en Bijstand. Om meer vrouwen – met name met lagere inkomens – weer op de arbeidsmarkt te laten participeren, zou de kinderopvang moeten worden betaald uit de algemene middelen. De huidige regeling leidt tot te veel bureaucratie en schrikt af. Moeders en vaders die ook voor kinderen zorgen van andere werkende ouders, krijgen een fiscale vrijstelling, zoals ook al in een aantal andere Europese landen het geval is. Uit die landen, zoals bijvoorbeeld België leren we ook dat – vaak parttime – werkzaamheden in de persoonlijke huishoudelijke dienstverlening – de strijkster, de tuinman – aantrekkelijker zijn om aan te bieden als ze (gedeeltelijk) fiscaal aftrekbaar zijn.

Er komen op het laagste niveau opnieuw loonkostensubsidies. Volgens het CPB zijn deze zeer effectief. Daarnaast komen er `participatiebanen'. Deze worden op een minimumniveau betaald en hebben een tijdelijk karakter. Niemand kan langer dan drie jaar een participatiebaan hebben tenzij het inmiddels vijf jaar geleden is dat iemand zo'n baan had of dat iemand 58 jaar of ouder is.

Ten slotte moet er een herschikking komen van alle instellingen die zich met de bestrijding van werkloosheid bezighouden. Nu ontbreekt een centrale regisseur in de samenwerking tussen CWI, UWV en de gemeenten. Handhaving, uitkering en activering moeten in één hand komen. Als eerste stap zullen in 2008 CWI en UWV fuseren. Uitkeringen en activeringsmogelijkheden komen dan bij elkaar. De nieuwe wet Werk en Bijstand heeft inmiddels geleerd dat dit effectief kan zijn.

Simon van Driel is lid van de Eerste Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie. Hij was voorheen directeur van de Sociale Dienst in Den Haag.

    • Simon van Driel