Ontevreden burgers

Het is geen wonder dat de meeste Nederlanders minder tevreden zijn over de samenleving dan twee jaar geleden. Echt opvallend zou het zijn geweest als het laatste rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, De sociale staat van Nederland, een toename van welzijn en geluk had geconstateerd. Maar ons land beleeft de langste recessie van na de oorlog en de gevolgen daarvan worden door veel burgers gevoeld. Er is minder werk, minder te besteden, op voorzieningen wordt gekort en de sociale ongelijkheid neemt toe. De naam `planbureau' onder het rapport doet ten onrechte vermoeden dat de overheid al deze onwenselijke trends in gunstige richting kan ombuigen. De wereldeconomie, Brussel en veranderend gedrag van de burgers zelf beperken de invloed van de Nederlandse overheid.

De toename van sociale ongelijkheid is ook resultaat van de recessie. Tegelijkertijd heeft de overheid in sociale voorzieningen moeten ingrijpen om fraude en misbruik te voorkomen. Ondanks het gezinsbeleid van het kabinet zijn twee-oudergezinnen erop achteruitgegaan. De oorzaken zijn zo aan te wijzen. Er zijn te weinig goede woningen en er schiet minder geld over voor vakanties, vrije tijd en het verenigingsleven, waaronder sport. Ook laagopgeleiden en jongeren zijn er wat minder aan toe als gevolg van werkloosheid en lagere inkomens.

Ronduit negatief is het Sociaal en Cultureel Planbureau over een segment dat vrijwel geheel door de overheid wordt bestierd: het onderwijs. Daar heerst een chaos van onderling strijdige doelstellingen. Er zijn ambitieuze, centralistische streefcijfers om de schooluitval en de taalachterstand te beperken, maar die moeten worden opgelegd aan onderwijsinstellingen die tegelijkertijd van de overheid autonomer horen te worden. Een autonome school mag bijvoorbeeld geen kinderen van school sturen om de orde te handhaven en kwaliteitseisen mogen niet ten koste gaan van de productie van diploma's.

Het onderwijsbeleid is een extreem voorbeeld van een trend bij de overheid in het algemeen. Verantwoordelijkheden die traditioneel tot de overheid behoren, worden afgestoten, maar tegelijkertijd wordt door de overheid tot achter de komma vastgesteld wat die nieuwe autonome instellingen moeten doen. Die cijfers blijken onhaalbaar. Uit de verwarring tussen wat de centralistische overheid pretendeert en wat zij bij verzelfstandigde overheidsinstellingen nog vermag, moet een deel van de negatieve stemming over de regering zijn te verklaren. Tussen autonomie en centralisme ontstaat veel bureaucratie.

De waardering voor de Nederlandse regering in het algemeen (dus niet het kabinet) daalde al voor de recessie, in het jaar 2000. In 1998 was nog 80 procent van de burgers tevreden over de regering, in 2000 werd dat 77 en nu is dat slechts 48 procent, terwijl hoge waarderingscijfers gebruikelijk waren. Hier is meer aan de hand dan slechte berichtgeving door de media of ongunstige groeicijfers. Burgers oordelen wel gunstiger over zorg en veiligheid, twee punten die een grote rol speelden in de zo heftig verlopen verkiezingen van 2002. De vraag is of die tevredenheid na de voorgenomen reorganisatie van de zorgsector zo blijft. Resultaten van reorganisaties kan de overheid zichzelf wel aanrekenen.