Dood kind vaak na beslissing arts

De dood van een kind wordt in Nederland een op de drie keer voorafgegaan door de medische beslissing het leven van dat kind te beëindigen. Dit blijkt uit de eerste landelijke studie naar medische beslissingen rond het levenseinde bij ernstig zieken van een tot zeventien jaar.

In de meeste gevallen werd bij het kind pijn- en symptoombestrijding toegepast, waarna het mogelijk eerder is komen te overlijden. Ook werden kinderen therapieën onthouden die het leven zouden kunnen verlengen. Bij minder dan 3 procent van de kinderen die gedurende de onderzoeksperiode overleden, was sprake van actieve levensbeëindiging. In 2001 overleden 619 kinderen van een tot en met zeventien jaar. Het onderzoek betreft 129 kinderen die in de laatste vier maanden van dat jaar overleden. De kinderen stierven als gevolg van ongevallen, kanker, neurologische afwijkingen, aangeboren afwijkingen en infectieziekten.

Het onderzoek van A. Vrakking van het Erasmus MC wordt vandaag gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine.

Het maakt deel uit van een grootschalige euthanasiestudie onder leiding van de hoogleraren Van der Maas en Van der Wal. Bij de medische beslissingen rond het levenseinde waren de ouders betrokken, soms de kinderen zelf. Actieve levensbeëindiging, zo blijkt uit het onderzoek, wordt veelal aangevraagd door ouders. Terminale sedatie, en de onthouding van levensverlengende therapie, gebeurt meestal op initiatief van de behandelend arts.

Sinds de invoering van de Euthanasiewet in april 2002 mogen artsen, onder strikte voorwaarden, het leven van een ernstig ziek kind van 12 tot 16 jaar beëindigen of helpen te eindigen, mits de ouders daarin toestemmen. Bij kinderen van 16 en 17 dienen ouders geïnformeerd te zijn. Euthanasie bij kinderen onder de twaalf is strafbaar.