De dijkbreuk van Bush

Optimisme is een veelgevraagde brandstof onder politici, maar het wordt aan de pomp steeds schaarser. Hoe geef je angstige kiezers uitzicht op een beter leven, hoe open je nieuw perspectief voor geprangde burgers?

Voor een leider zijn dat cruciale vragen, bijvoorbeeld als hij nu Jan Peter Balkenende heet en een bevolking in beweging moet krijgen die murwgebeukt in de touwen hangt (zie de Netwerk-enquête gisteren over de toekomst van Nederland, waarin werd gevraagd `Gaat Nederland kapot?' Ja, meent 36 procent.) Wat is de juiste toon? Hoeveel lepels urgentie en hoeveel troost moeten in de mix?

Eén tip: doe het niet als George Bush. De president hield eind vorige week zijn ,,slechtste toespraak aller tijden'', aldus The New York Times, over de catastrofe van New Orleans. Het kwam allemaal best goed, zei hij. En daar was weer de fameuze smirk, het scheve grijnsje. Bush' eerste commentaar ter plekke was ronduit wanstaltig. ,,Sommige mensen'' zagen het nog niet, zei hij voor de camera in een poging het moreel op te vijzelen, maar dit was het begin van een ,,fantastische nieuwe Golfkust''. Pardon? Hij zal niet hebben bedoeld: als die sloebers eenmaal zijn weggespoeld. Maar toch. De peptalk van de president stond geheel buiten de realiteit van de honderdduizenden ontheemde landgenoten die toen nog naar hulp snakten. Zijn visioen van een nieuwe Golfkust was ook geen staaltje van grootse retorica zoals die van zijn voorgangers in tijden van nationale nood, Lincoln (Burgeroorlog) of Franklin Delano Roosevelt (Pearl Harbor), maar eerder een ordinaire soundbite.

De verleiding is groot om in de onthutsende beelden uit het ondergelopen New Orleans nu een zinnebeeld te zien van het Amerika van Bush, een woestenij van ieder-voor-zich, waarin de rijken goed wegkomen en de armen net als in de Derde Wereld ronddobberen op zelfgebouwde vlotjes of, Amerikaanser, in een geplunderde jacuzzi. Pas op: overdrijving ligt hier op de loer, manen sommige wereldwijze commentatoren al, en dat kan ten koste gaan van de feiten. Hoe kon dit gebeuren, waarom kwam de hulp zo laat op gang, en waarom is het zuiden niet beter beveiligd? Allemaal de schuld van `Dubya'?

Nee, vast niet. Maar zegt de nasleep van orkaan en dijkbreuk iets over `zijn' Amerika? Ja, natuurlijk. En dat is geen politiek oordeel, maar een empirische waarneming; het is juist een gepolitiseerde vorm van wegkijken om de ramp af te doen als `natuurgeweld' waar de president ook niks aan kan doen.

Laten we de feiten onder ogen zien. Eén: ondanks waarschuwingen uit de regio is in de dijkbewaking van de Golfkust de laatste jaren niet serieus geïnvesteerd. Twee: het overgrote deel van de ergst getroffenen zijn arme zwarten. Beide punten hangen samen met de afbraak van big government die onder Republikeins bewind in de jaren tachtig is begonnen, in grote lijnen voorgezet door Bill Clinton, en waarvan Bush alleen heeft afgeweken met zijn ministerie voor Homeland Security, en later met de geldverslindende oorlog in Irak. Om complotdenken te voorkomen: de gestage `uithongering' van de federale overheid is geen beleid dat de Amerikanen collectief wordt opgedrongen, maar één dat al werd gedragen door een middenklasse die in Californië in de jaren zeventig per referendum de staatbelastingen kortwiekte. De conservatieve beweging sinds Reagan is een lange afrekening met Roosevelts activistische New Deal, uit naam van een robuust individualisme. Anders dan het Europese conservatisme, wordt deze Amerikaanse versie gekenmerkt door een grenzeloos optimisme, anti-elitisme en een sterk liberaal geloof in de vrije markt.

Het tweede punt. De armoede en de gevoeligste aller kwesties: ras. Hier is het zuiden het brandpunt van een aantal nationale trends. De ongelijkheid in Amerika is sinds de Reagan-jaren spectaculair toegenomen. Vorige week werd bekend dat de economie met 3,8 procent is gegroeid in 2004, maar de armoede in het land niettemin ook: 1,1 miljoen Amerikanen zakten onder de armoedegrens, nog eens 800.000 werknemers raakten hun ziektekostenverzekering kwijt. Het gemiddelde inkomen per huishouden bleef voor het vijfde achtereenvolgende jaar op hetzelfde niveau, een uitzonderlijk lange stagnatie.

Ook de financieel-economische en sociale ongelijkheid begon in Amerika in de jaren tachtig snel toe te nemen. Het gemiddelde reële loon daalde in 1981-1993 met vijf procent, dat van de rijkste vijf procent steeg daarentegen met 30 procent, dat van de toplaag van één procent zelfs met 78 procent. Aan het einde van Clintons presidentschap, in 1999, waren de reële lonen van de meeste Amerikanen 10 procent lager dan in 1973. (De cijfers zijn ontleend aan Godfrey Hodgsons boek More Equal Than Others, Princeton, 2004).

Voor zwarten zijn de statistieken ronduit schokkend. Niet alleen als het gaat om hun inkomen, maar wat betreft hun hele sociale positie. Bijna veertig procent van de gezinnen die steun trekken, is zwart. Vijf jaar geleden maakten zwarten bijna de helft uit van de Amerikaanse gevangenispopulatie; in 2003 zat 32 procent van de zwarte mannen tussen de 20 en 29 jaar achter de tralies, of was voorwaardelijk vrij. De kindersterfte onder zwarte Amerikanen was 65 jaar geleden (in 1940) 1,6 maal die onder blanken; een scheefgroei die in 1990 was verergerd tot 2,2. Et cetera. Hier doemt een pijnlijke kloof op die onder Bush junior niet kleiner is geworden, maar groter. De zwarte bevolking van Amerika bestaat voor een toenemend deel uit `moderniseringsverliezers' naar wie de staat zo min mogelijk omkijken wil hebben en die vooral het object zijn van sociale, justitiële en politiële beheersingsmaatregelen.

Een andere, eerdere Roosevelt (Theodore) had ooit een mooi richtsnoer voor de toekomst van zijn Amerika. Deze masculiene president en rough rider, die enthousiast meevocht in de Spaans-Amerikaanse oorlog en het cowboyleven niet vanuit een SUV maar nog te paard verkende, meende dat ,,dit land voor géén van ons een blijvend goede plek zal zijn, als we er niet voor zorgen dat het voor iederéén een redelijk goede plek wordt''.

Dat is een soberder, maar ook democratischer adagium dan de glimmende prospectus die Bush het Zuiden voorhield. Het is ook een perspectief dat het benarde Nederland, achter de dijken, goed kan gebruiken.

Dit is de laatste column van Sjoerd de Jong. Een keuze uit zijn columns verschijnt bij Prometheus onder de titel `Spijtwraak'.

    • Sjoerd de Jong