Beste muziek aan het slot

Terwijl zondagavond in Utrecht de laatste noten van het Festival Oude Muziek nog klonken, begon in Amsterdam de Gaudeamus Muziekweek, een festival met uitsluitend nieuwe muziek. Op het openingsconcert klonken drie werken waarin driftig instrumentaal gekwetter à la Messiaen een belangrijk structuurtype was. De Spanjaard Hèctor Parra bracht in Abîme (2004) een oppervlakkige structuur aan met regelmatige stiltes, zodat het een beetje hollen of stilstaan werd. Voor de `decompressies van de tijdsstroom' waarover hij in zijn toelichting sprak, ontbrak het echter aan raffinement.

Meer structuur en vooral helderheid bezat Parallax (2004) van de Amerikaan Christopher Trebue Moore. Duidelijk welven zich hier motieven en bewegingen door het ensemble, soms wat schools, maar vaak overtuigend en origineel: een geleidelijke verdikking van de instrumentatie, ingezet door een dubbeltoon op de hobo, of wild door het ensemble zwiepende arpeggio's.

Sopraan Jannie Pranger toonde in Inferno (2002) van de Amerikaan David Coll een imposant arsenaal aan geluiden, maar legde zo ook de zwakte van het stuk bloot: Coll wil alles uit de kast halen en geen instrumentaal of vocaal trucje overslaan. Zonder een interne motivatie levert dat echter wat vrijblijvende composities op. Een meester in zelfbeperking toonde zich op het concert van het Asko Ensemble, juist de Nederlandse componist Jan Vriend – met geboortejaar 1938 een oudgediende. In Pas Crever (2003) voorziet hij teksten van de Franse dichter Boris Vian (1920- 1959) van een warme, resonante begeleiding. In klank soms Boulez-achtig, maar minder hermetisch.

Confluence (2002) van de Japanner Ruo Huang moest het vooral hebben van de ter plekke geschilderde projecties met prachtig dansende kleuren en penselen, vaak zorgvuldig gecoördineerd met de partituur. Ze dienden echter ook een beetje als stopverf, om te verhullen dat de compositie een saaie opsomming van Stravinskyaanse ideetjes is. De beste stukken klonken gisteren aan het eind. Fifth Station (2004) van de Japanner Dai Fujikura beweegt zich rond een kerntoon die als zwaartepunt obstinaat door de cello wordt aangehouden. Hiertegen spatten aan alle kanten als vette klodders koperakkoorden, ruisklanken en clusters op in een adembenemend goed gecomponeerd spel. Het principe van een `centripetale' kerntoon gebruikte ook de Litouwse Raminta erknyte in haar Vortex (2004). Het werk is een consequent doorgevoerde spiraalbeweging van dalende tonen rond een neurotische vioolsolo, die indrukwekkend gespeeld werd door Heleen Hulst.

Internationale Gaudeamus Muziekweek. Diverse Ensembles. Gehoord: 4/9 en 5/9 Muziekgebouw aan 't IJ, Amsterdam. Radio 4: 14/9 20.02 VPRO (selectie). Gaudeamus Muziekweek t/m 11/9. Inl. www.gaudeamus.nl.

    • Jochem Valkenburg