74.000 helmen voor 28.000 soldaten?

Een omstreden aankoop van heel veel militair materiaal voor heel weinig soldaten heeft in Servië een stevige rel veroorzaakt. Montenegro ziet smalend toe.

In Servië is een politiek schandaal ontbrand rond Prvoslav Davinić, de minister van Defensie van de unie Servië en Montenegro. De Servische regering, de premier, de president, de oppositie en zelfs zijn eigen partij, G17 Plus, eisen zijn aftreden, maar de minister vertikt dat en heeft zijn collega van Financiën zelfs beschuldigd van hoogverraad.

Aanleiding tot de commotie is de aankoop, eind augustus, door het ministerie van Defensie, van militair materieel voor een bedrag van 300 miljoen euro. Volgens zijn aanklagers, minister van Financiën Mladjan Dinkić voorop, is het materieel – kleding, helmen en kogelvrije vesten – vele keren te duur ingekocht. En trouwens, heeft een leger van 28.000 manschappen 74.000 helmen en 69.000 kogelvrije vesten nodig als het nog zulk materiaal heeft liggen voor 50.000 man? Heeft een luchtmacht met 75 piloten 500 pilotenjekkers nodig?

Bovendien heeft Davinić volgens de beschuldigingen noch de Servische regering, noch premier Koštunica, noch de generale staf over de aankoop geïnformeerd. De minister ontkent dat. Hij beloofde zondag om gisteren met documenten te komen die aantonen dat generaal Dragan Paskaš, de chef van de generale staf, het contract voor de aankoop nota bene zelf heeft ondertekend – maar wat er gisteren ook gebeurde, de documenten werden niet gepubliceerd.

De Servische premier, Vojislav Koštunica, zei over de omstreden aankoop dat ,,het leven in Servië voor iedereen te moeilijk is om iemand het recht te geven één enkele dinar – laat staan 300 miljoen euro – uit te geven als dat niet noodzakelijk en essentieel is voor het landsbelang''. President Tadić van Servië vond de aankoop ,,ongelooflijk'' en Davinić' positie ,,onhoudbaar''. Minister van Financiën Mladjan Dinkić – een partijgenoot van Davinić – omschreef diens optreden als ,,de roof van de eeuw''. Davinić beschuldigde Dinkić daarop van pogingen ,,het leger te vernietigen'' en van hoogverraad omdat de minister van Financiën de inhoud van het contract openbaar heeft gemaakt. ,,Nu weten al onze vijanden wat voor uniformen en helmen we dragen – dat is verraad'', aldus Davinić. Dinkić noemde het op zijn beurt in een reactie ,,schandelijk'' dat ,,iemand de aankoop van ondergoed en sokken als een militair geheim bestempelt''.

Het vervelende voor Koštunica en Tadić en Dinkić is dat Davinić geen lid is van de Servische regering: hij maakt deel uit van de regering van de unie Servië en Montenegro. Hij kan alleen ontslagen worden door het parlement van de unie, en wel met instemming van een meerderheid van zowel de Servische als de Montenegrijnse afgevaardigden. Nu hebben de Montenegrijnen Davinić de afgelopen weken bijna dagelijks gehekeld om een andere kwestie – de rol van het leger bij de plaatsing van een Servisch-orthodoxe kerk op een Montenegrijnse bergtop. Maar die kritiek verstomde op slag toen Davinić in Servië onder vuur kwam te liggen. Sterker: in de rel rond Davinić zien de Montenegrijnen, zoals gisteren de Montenegrijnse premier Milo Djukanović het uitdrukte, een ,,huichelachtige poging van Servië om de unie-instanties te domineren''. Personele wijzigingen in de unieregering zijn voor Montenegro ,,niet relevant'', vond hij – tenslotte ziet het op onafhankelijkheid azende deel van Montenegro die unie liever vandaag dan morgen verdwijnen.

De eigenaar van het bedrijf in Zrenjanin dat het militaire materieel levert, ene Mile Dragić, begon zijn bedrijf vijftien jaar geleden en werd groot dankzij contacten binnen het bewind van toenmalig president Milošević, met name met politiegeneraal Radovan Stojičić, alias Badža. Deze werd in 1997 vermoord – een moord die nooit is opgehelderd. Dragić heeft volgens de Servische media nog steeds uitstekende contacten met hoge militairen bij de generale staf die onder Milošević zijn opgeklommen.

    • Peter Michielsen