Polyfonie ook in volksmuziek

Een avontuurlijk onderdeel van het Festival Oude Muziek, dat met 55.000 bezoekers dit jaar 7.500 meer concertgangers trok dan vorig jaar, waren de concerten met `etnische' muziek die paste in het thema `polyfonie'. Blijkbaar bezitten sommige `oeroude volkstradities' (aldus ongeveer het programmaboekje) genoeg `authenticiteit' (hét oude muziek-dogma) om ook een plek op het programma te verdienen.

Op de openingsavond klank al de Fins-Oegrische meerstemmigheid van Me Naiset en Toorama, en in het slotweekend verzorgde A Filetta een verrassend concert met Corsicaans contrapunt.

De vijf zangers – dicht op elkaar, een hand aan hun oor en de ander om hun buurman – zongen op eenvoudige basismelodieën prachtig lyrische omspelingen vol schurende dissonanten en geïmproviseerde versieringen. Hun geknepen, breekbare stemgeluid deed denken aan flamenco en Arabische muziek, terwijl sommige melodieën en teksten weer duidelijk afkomstig waren uit de christelijke traditie.

Op Corsica klinkt deze zang vaak in kerken en kapellen, en dus is het een onbegrijpelijk voorbeeld van hokjesdenken dat juist dít concert in het akoestisch dode `wereldcultuurcentrum' Rasa moest klinken. Vrijwel het hele festival vond plaats in de mooiste Utrechtse kerken, maar omdat het hier om `wereldmuziek' ging, moest dit in een zaal met versterking, waar de enige galm via luidsprekers uit een apparaat komt.

Capella Amsterdam stond zaterdag voor de tweede keer in een dubbelconcert. Pakte de samenwerking met The Sixteen vorige week nog erg goed uit, minder gelukkig was de afwisseling met cellist Pieter Wispelwey en pianist Paolo Giacometti.

Vooral de combinatie van Bachs dubbelkorige motetten met de Sonate nr. 1 op. 38 voor cello en piano van Brahms sloeg nergens op. Veel beter paste hierna Bachs Suite nr. 2 voor cello solo als meditatie tussen enkele koorliederen van Johannes Brahms.

Cappella Amsterdam toonde zich wederom een koor van de bovenste plank, met een volle, homogene klank, heldere articulatie en, met name in Brahms' Warum ist das Licht gegeben, warme expressiviteit. Wispelwey speelde in de cellosonate van Brahms alsof hij op een Steinway werd begeleid, waardoor Giacometti er, ondanks zijn voortreffelijke spel, achter zijn prachtige, authentieke Streicher-vleugel uit 1847 een beetje voor spek en bonen bijzat. De Bach-suite daarentegen was gerijpt en sober, met veel ademruimte.

Holland Festival Oude Muziek. Gehoord 3/9, Utrecht.

    • Jochem Valkenburg