Naar een nieuwe Nederlandse trots

Het is hoog tijd dat de erfenis van de `verzuiling' wordt afgezworen. Alleen dan kan de positie van bestaande migranten in de Nederlandse samenleving verbeteren en kunnen kennismigranten met succes worden aangetrokken. En dit zal nieuwe welvaart brengen, meent L.J. Brinkhorst.

Anno 2005 heeft Nederland, anders dan in vroegere eeuwen, een lat-relatie met zijn gemeenschap van migranten. Of eigenlijk een omgekeerde lat-relatie: we leven samen, maar toch apart. Living together apart.

Ongetwijfeld speelt een rol dat de migranten van vandaag een andere achtergrond hebben dan die in de 17de eeuw. En daardoor minder makkelijk aansluiting vinden. Er is echter ook een oorzaak die zijn wortels heeft in de ontstaansgeschiedenis van de Nederlandse samenleving: de erfenis van de verzuiling.

Waar Nederland sinds de Republiek gekenmerkt wordt door een open economische oriëntatie, is tegelijkertijd steeds sprake geweest van een gesloten politieke cultuur. In het verzuilde Nederland, dat bestond tot in de jaren zestig van de vorige eeuw, toleréérden redelijk gesloten systemen elkaar weliswaar, maar gezámenlijkheid bleef tot een minimum beperkt. Burgers in de ene zuil hadden weinig contact met burgers uit de andere zuil.

Zo konden groepen in Nederland vreedzaam naast elkaar bestaan. De rol van de staat hierbinnen was om de aspiraties van de verschillende zuilen binnen de samenleving in balans te houden.

Hoewel de verzuiling sinds de jaren zestig van de vorige eeuw vrijwel is verdwenen, heeft zij op het terrein van onze omgang met nieuwkomers een dubbele erfenis nagelaten. Deze uit zich in onze omgang met culturele verschillen en in onze gelijkheidsideologie.

Cultuurpolitiek

Op het terrein van cultuurpolitiek, omvat deze erfenis een mengeling van te grote geslotenheid en vrijblijvendheid, en een gebrek aan gezamenlijkheid.

Te gesloten, omdat toetreding tot de bestaande zuilen zeker voor groepen nieuwkomers die minder met het bestaande gemeen hadden moeilijk was. Dat werd nog versterkt, doordat ervan uit werd gegaan dat nieuwkomers zouden terugkeren naar de herkomstlanden.

Te vrijblijvend, omdat aan nieuwkomers te weinig eisen werden gesteld om hun uiterste best te doen zich een plaatsje in de samenleving te verwerven.

En ten slotte te weinig gezamenlijkheid. De gemeenschappelijkheid tussen de zuilen was immers minimaal en was direct gekoppeld aan een acceptatie van verschil. Daarmee werd Nederlanderschap te weinig tastbaar en aantrekkelijk om als gemeenschappelijke basis te kunnen dienen. Niet zo gek dus dat uit onderzoek in het kader van de European Value Studies blijkt dat Nederlanders in vergelijking met andere Europeanen relatief weinig trots zijn op hun vaderland.

Naast deze drie elementen is een tweede residu van de verzuiling de gelijkheidsideologie. Doordat de overheid in de verzuilde samenleving altijd op eieren moest lopen om de verschillende bloedgroepen te vriend te houden, ontwikkelden de Nederlandse instituties een sterk egalitair karakter. Dat uitte zich in het poldermodel en een uitgebreide verzorgingsstaat. Differentiatie kreeg maar beperkt ruimte. Uitzonderlijke prestaties werden niet navenant beloond en geprezen.

Deze dubbele erfenis van een gesloten, vrijblijvende en weinig gezamenlijke cultuurpolitiek en een doorgeschoten gelijkheidsideologie is in tijden van globalisering steeds minder houdbaar. Bovendien bemoeilijkt zij de omgang met integratie en immigratie. Zij biedt te weinig houvast in de context van de onzekerheid en de veranderingen die globalisering onvermijdelijk met zich meebrengt. En te weinig flexibiliteit en ruimte voor differentiatie. Zowel vanuit het perspectief van cultuurpolitiek als dat van de egalitaire inslag van de Nederlandse samenleving, zijn integratie en immigratie daarom gebaat bij een bredere hervormingsagenda.

Nederland heeft veel te winnen bij een betere integratie van nieuwkomers. Integratie is een thema dat hoog op het lijstje staat van zaken waarover burgers zich zorgen maken. Zij vormt een belangrijk bestanddeel van de hedendaagse ,,morele paniek'', zoals prof. Ineke Sluiter het eerder noemde.

Ook in economische zin is zij van belang. Ik schets u de resultaten van een kleine rekenoefening die ik heb laten uitvoeren waar het dan om gaat. Er zijn in Nederland ongeveer 1,1 miljoen niet-westerse migranten in de leeftijdgroep van 15 tot 64 jaar. De helft van deze mensen heeft een baan, tegen tweederde van de Nederlandse bevolking. Als het ons lukt de arbeidsdeelname van niet-westerse migranten te verhogen tot het peil van de Nederlandse bevolking, dragen in de toekomst 200.000 mensen meer bij aan onze economische groei. Het bruto binnenlands product zou daarmee met zo'n 3 miljard euro kunnen toenemen. Alleen al in de bijstand zou jaarlijks 1,6 miljard euro aan uitkeringen kunnen worden bespaard. Maar het gaat ook om het aan de slag krijgen van velen die nu geen uitkering ontvangen. Onder hen zijn veel allochtone vrouwen. Dat is ook in bredere dan economische zin belangrijk, omdat werk een belangrijke manier vormt om volwaardig deel te nemen aan de samenleving.

Leerwerktrajecten

De vraag is hoe we dit kunnen realiseren. Ik heb grote sympathie voor een aantal recente initiatieven om scholing en werkervaring te combineren. In Rotterdam loopt bijvoorbeeld het project `Marok'kans'. Dat regelt dat jongeren een stage kunnen lopen op Rotterdam Airport met uitzicht op een baan. De ervaringen hiermee zijn positief. Ook op andere plekken wordt vanuit deze optiek gewerkt, zoals in de kabinetsaanpak van jeugdwerkloosheid. Het gaat hierbij om niet-vrijblijvende initiatieven, in de zin dat behoorlijke prikkels bestaan om deel te nemen. Het uitzicht op een baan of een leerwerktraject motiveert uiteraard; dat is de wortel die we moeten bieden. Daarnaast moeten we er niet voor terugschrikken af en toe naar de stok te grijpen als werklozen hun verantwoordelijkheid niet nemen.

Bij deze initiatieven is het bedrijfsleven nauw betrokken. Die betrokkenheid wil het kabinet graag nog vergroten. Dat kan onder meer door het risico dat bedrijven lopen om op te draaien voor bijvoorbeeld ziekteverzuim, tijdelijk over te nemen. Zo zou de overheid garant kunnen staan voor de kosten in het eerste halfjaar van een leerwerktraject. Na die periode zou dan het bedrijfsleven zelf weer verantwoordelijk worden.

Sociale zekerheid

Hoe belangrijk ook, naast deze initiatieven zijn verdere hervormingen nodig om de problematiek van integratie op de arbeidsmarkt op te lossen. Net als andere aspecten van globalisering zetten integratie en immigratie druk op de verzorgingstaat. In een studie onder redactie van Jelle van der Meer en Han Entzinger wordt dit de ,,ontgrenzing van de verzorgingsstaat'' genoemd. Een van de oplossingen die de studie voor dit probleem aandraagt, is migranten de eerste tijd het recht op een uitkering te ontzeggen.

We moeten de oplossing vooral ook zoeken in meer generieke aanpassingen. Uit onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat in landen waar de uitkeringsduur lang is, waar weinig actief arbeidsmarktbeleid is en waar de ontslagbescherming hoog is, het werkloosheidpercentage onder migranten eveneens erg hoog is. Dat is ook niet raar: `outsiders' als migranten hebben de meeste last van regels en wetten die `insiders' beschermen. Het versterken van prikkels tot activiteit en het verwijderen van barrières voor toetreding op de arbeidsmarkt vormt de centrale opgave. Met verandering in WW en WAO en vooral ook de recente aanpassingen in de bijstand – waarin nieuwkomers oververtegenwoordigd zijn – werkt het kabinet hier ook hard aan. In de toekomst zullen we niet ontkomen aan verdere aanpassingen om de arbeidsmarkt beter te laten functioneren. Aan de vraagkant gaat het dan om de minimumloonkosten, aan de aanbodskant om de sociale zekerheid nog meer activerend te maken.

Kennismigratie

Naast integratie dient zich de vraag aan hoe we de komende tijd moeten omspringen met immigratie. Het CPB heeft laten zien dat het toelaten van grote aantallen migranten ook in tijden van vergrijzing niet automatisch heilzaam is voor de economie. Hiermee zet het vraagtekens bij een VN-studie die suggereert dat westerse landen om de gevolgen van vergrijzing op te vangen de komende 50 jaar zo'n 674 miljoen migranten nodig hebben; ruim 13 miljoen per jaar dus. Alleen als die migranten goed geschoold zijn en als zij in groten getale gaan deelnemen aan het arbeidsproces, kunnen positieve effecten worden verwacht.

Voor toekomstige migratie betekent dit dat we ons meer moeten richten op hoger opgeleide nieuwkomers, op kennismigranten die met hun vakkennis en vaardigheden een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse economie, die een brug kunnen vormen naar buitenlandse markten. Juist op het vlak van die kennismigratie wordt de internationale concurrentie groter. Of het nu gaat om de crème de la crème van academische onderzoekers of toppers voor het bedrijfsleven, er ontstaat meer en meer een strijd om talent, kennis en vaardigheden op wereldschaal. Landen moeten zich onderscheiden om aantrekkelijk te zijn voor dit toptalent.

Ook hier heeft Nederland nog veel te winnen. Toponderzoekers vertrekken en masse naar de andere kant van de oceaan. Waar landen als Groot-Brittannië succesvol zijn in het aantrekken van hoogopgeleide migranten, loopt die stroom naar Nederland relatief terug.

Het kabinet heeft al een aantal maatregelen genomen om de procedures voor het aantrekken van hoger opgeleiden te vereenvoudigen. Recent onderzoek van werkgeverszijde laat zien dat bedrijven nog steeds problemen ondervinden. Voor veel buitenlandse promovendi aan universiteiten is het moeilijk om na afronding van hun proefschrift hier te blijven werken. Maar ook breder.

Net als bij integratie ligt een belangrijk deel van het probleem bij het aantrekken van kennismigranten dieper. Twee voorbeelden:

Het onderzoek van de Amerikaan Richard Florida over de zogenoemde creatieve klasse. Daarmee doelt Florida niet alleen op kunstenaars, maar ook op creatievelingen op het vlak van onderzoek en wetenschap, ondernemers, et cetera. Die creatieve klasse van hoogopgeleide mensen is cruciaal voor economische groei, en is internationaal erg mobiel. Voor landen is het daarom belangrijk om aantrekkelijk te zijn voor dergelijke hoogopgeleide migranten. Eén van de factoren die creatieve mensen aantrekken, is volgens Florida het bestaan van een open en tolerant klimaat, en een veelzijdige culturele omgeving. Een goede omgang met integratie is daarmee ook indirect economisch belangrijk, als onderdeel van je culturele infrastructuur om toptalent van elders te trekken.

Verder is er de relatie met de egalitaire inslag van Nederland. Onderzoekers uit Nederland die naar de VS vertrekken, blijken dit vooral te doen omdat bij uitzonderlijke prestaties in de VS ook uitzonderlijke onderzoeksfaciliteiten en beloning worden geboden. Het gebrek aan differentiatie in de manier hoe we met excellentie omgaan maakt dat toptalent zijn heil elders zoekt. En dat buitenlandse toppers zich twee keer bedenken voordat ze naar Nederland komen. Deze overwegingen moeten bij de financiering van onderzoek een belangrijke functie hebben, willen we in de mondiale strijd om kennis en vaardigheden een rol van betekenis spelen.

Chauvinisme

Ik daag u uit mee te denken over wat ik een hernieuwde en herkenbare Nederlandse identiteit wil noemen. Een identiteit die open is, maar niet vrijblijvend. Die recht doet aan verscheidenheid maar voldoende tastbaar is in zijn gezamenlijkheid. Dat zal voor ons misschien even wennen zijn. Nederland is een land waar nationale trots er vooral uit lijkt te bestaan dat we die maar in zo geringe mate kennen. Chauvinistisch over het feit dat we niet chauvinistisch zijn. Dat maakt het lastig voor nieuwkomers om zich met hun nieuwe vaderland te vereenzelvigen. Nederland kampt met een `Embarrassment of Pride', als ik de titel van Simon Schama's fascinerende boek over de lage landen The Embarassment of Riches mag parafraseren. Om onze omgang met nieuwkomers tot een succes te maken, hebben we een breed gedeelde trots nodig over wat ons bindt.

Mr. L.J. Brinkhorst is minister van Economische Zaken. Dit is een ingekorte en enigszins bewerkte versie van de toespraak die hij vandaag aan de Universiteit Leiden hield bij de opening van het academisch jaar.

www.nrc.nl/opinie

Volledige tekst Brinkhorst

    • L.J. Brinkhorst