Leefsituatie gezinnen onder Balkenende achteruit

Eens in de twee jaar rapporteert het SCP hoe de Nederlandse bevolking leeft. Hoewel de meeste burgers er sinds 1993 op vooruit zijn gegaan, is de maatschappelijke ongelijkheid toegenomen.

De leefsituatie van de Nederlandse bevolking is sinds 1993 verbeterd. Voor de meeste categorieën zette deze trend zich in 2004 door, maar enkele omvangrijke categorieën zijn er onder de kabinetten-Balkenende (vanaf 2002) op achteruitgegaan. Dit betreft jongeren van 18 tot 25 jaar, paren met kinderen en personen met niet meer dan basisonderwijs. De laatste twee groepen (samen ongeveer de helft van de bevolking) staan er in 2004 slechter voor dan in 1993.

Om aan te kunnen geven hoe het gaat met de bevolking als geheel of met bepaalde categorieën als jongeren, alleenstaande ouders of mensen met een hoog inkomen, ontwikkelde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in 1974 de `leefsituatie-index'. Deze wordt doorgaans om de twee jaar vastgesteld. De waarden voor 2004 zijn vandaag gepubliceerd in het rapport De sociale staat van Nederland 2005.

De index omvat acht terreinen van het leven, maar heeft uitdrukkelijk géén betrekking op het inkomen. Die acht terreinen zijn: gezondheid, wonen, (sociale) participatie, sportbeoefening, bezit duurzame consumptiegoederen, mobiliteit, vrijetijdsactiviteiten en vakantie. Op al die terreinen worden statistische gegevens verzameld, die per terrein tot één getal worden samengevoegd. Het vandaag gepubliceerde rapport concentreert zich op de periode 1993 tot en met 2004, met nadruk op de ontwikkeling sinds 2002.

Enkele categorieën zijn er sinds 1993 extra op vooruitgegaan: personen van 18 tot 35 jaar, personen van 65 tot 75 jaar, mensen met lage inkomens (laagste twintig procent), mensen met hoge inkomens (hoogste dertig procent), alleenstaanden, en eenoudergezinnen. Voor de meesten zette de verbetering zich voort tussen 2002 en 2004. Alleen voor de jongsten (18 tot 24 jaar) was dit niet het geval: zij gingen er op achteruit.

Vier categorieën gingen er in deze elf jaar op achteruit: laagopgeleiden, paren met kinderen, niet-werkenden en 75-plussers. Voor de laatste twee categorieën vond de achteruitgang plaats vóór 1997, sindsdien gaan ze weer vooruit, maar nog niet genoeg om de achteruitgang tussen 1993 en 1997 te compenseren. De andere twee bleven verder achteruitgaan.

De leefsituatie-index is een getal rond de 100. Hoe hoger hoe beter. Personen met een zeer hoog inkomen (hoogste tien procent) scoren bijvoorbeeld 114, 75-plussers scoren 79. Sinds 2002 zijn de verschillen in leefsituatie-index tussen de rijkste en de armste tien procent van de bevolking toegenomen, net als die tussen de laagst opgeleiden en de hoogst opgeleiden, en die tussen degenen die hun gezondheid als zeer goed ervaren en degenen die hun gezondheid als zeer slecht ervaren. De maatschappelijke ongelijkheid in leefsituatie is toegenomen onder de kabinetten-Balkenende. De verschillen tussen mensen met en zonder werk zijn daarentegen afgenomen.

Inkomen, opleiding, al dan niet werk hebben, leeftijd en huishoudenssamenstelling verklaren samen 58 procent van de verschillen in leefsituatie. Sinds 1993 is vooral de invloed van inkomen en opleiding toegenomen. Daarentegen worden de verschillen in leefsituatie tussen typen huishoudens steeds kleiner.

In enquêtes is mensen ook gevraagd hoe tevreden zij zelf zijn met zaken als hun woning, kennissenkring, woonomgeving, maatschappelijke positie, en het leven in het algemeen. Het blijkt dat er een duidelijk verband bestaat tussen hoe mensen tegen hun eigen situatie aankijken en hun objectieve leefsituatie: hoe beter hun leefsituatie, hoe tevredener ze zijn. Mensen met een leefsituatie-index boven de 115 geven het leven op dit ogenblik een gemiddeld rapportcijfer van 8,1. Mensen met een leefsituatie-index onder de 85 geven gemiddeld een 6,8.

Het grootste deel van het rapport is gewijd aan demografische veranderingen en veranderingen die zich op allerlei afzonderlijke beleidsterreinen afspelen. Zulke veranderingen gaan in het algemeen betrekkelijk langzaam. Zo neemt het aantal huishoudens gestaag toe. Er komen steeds meer alleenstaanden, en gezinnen worden kleiner.

Op enkele terreinen is sprake van grote veranderingen in korte tijd. Zo is het aantal jongeren dat al in de brugklas uitvalt tussen 1998 en 2003 verdubbeld tot 12.000 per jaar. Het aantal Nederlanders met overgewicht verdubbelde bijna tussen 1990 en 2004: van 6 procent van de bevolking tot 10. Het gebruik van de openbare bibliotheek daalde sterk: in 1995 kwam 32 procent in de bibliotheek, in 2003 was dat nog maar 25 procent.

Het SCP besteedt in De sociale staat van Nederland ook aandacht aan maatschappelijke opvattingen van de bevolking. Niet voor het eerst wordt gesignaleerd dat burgers tussen 2000 en 2002 veel negatiever zijn gaan denken over het functioneren van de overheid. Dat blijft zo. De belangstelling voor politiek neemt echter niet af, zoals ook bleek bij het referendum over de Europese Grondwet.

    • Dick van Eijk