Langzame foto's uit streek waar raketten landen

Voor de 17de keer wordt Perpignan het internationale festival voor fotojournalistiek gehouden. Met beelden van dode jongens, gewikkeld in de Palestijnse vlag; aan aids gestorven Zimbabwaanse meisjes in de armen van hun moeders; Amerikaanse soldaten, gewond in Irak.

Tussen alle beelden van dagelijkse ellende springt op de fototentoonstelling in Perpignan één serie in het oog. De foto's van de Noor Jonas Bendikson (27) vormen een welkome afwisseling tussen het voorspelbare geweld op het journalistieke fotofestival, met maar liefst vijf exposities over het Iraakse en drie over het Palestijnse conflict. Bij een kennelijk gebrek aan nieuwe oorlogen wordt zelfs de oorlog in Bosnië (1992-1995) nog eens opgelepeld.

Bendiksons meest opvallende reeks gaat over een gebied in Kazachstan waar de restanten van afgeschoten raketten belanden. Mannen en jongens wachten op de brandende brokstukken die uit de lucht vallen om ze vervolgens van oud schroot te ontdoen. Intussen liggen de koeien op hun zij in het weiland, dood van de milieuverontreiniging veroorzaakt door de giftige raketbrandstof.

Op Bendiksons foto's heerst, in tegenstelling tot de andere foto's op de tentoonstelling in het Zuidfranse stadje, rust en vooral gelatenheid: een jong meisje in een keuken, een oude man op een versleten bank, arbeiders op weg in een beslagen bus naar een grotendeels verlaten fabriek. Klopt, zegt hij: ,,In Irak gebeurt heel veel, aan de randen van de voormalige Sovjet-Unie heel weinig. De veranderingen gaan aan de inwoners voorbij. De geschiedenis heeft hen achtergelaten.''

Ruim twee jaar woonde de jonge fotograaf aan het eind van de wereld, onder andere in Kazachstan, Transnistrië en in de Joodse Autonome Regio, in het oosten van Siberië. Hij leerde er Russisch spreken en ging daarna nog vele malen terug. Die werkwijze omschrijft hij als ,,langzaam'' – en dat geldt ook voor zijn foto's.

Dat zijn werk op het prestigieuze festival voor persfotografie hangt, beschouwt hij dan ook als een compliment voor deze tegendraadse manier van werken. ,,Het is een tegenhanger voor de bang-bang fotografie uit de Gazastrook'', constateert hij tevreden.

Dat Jonas Bendikson in de Sovjet-Unie belandde, lag eigenlijk voor de hand. Zijn grootouders waren joden die vlak voor de Eerste Wereldoorlog naar Amerika vluchtten. Zijn moeder groeide op in New York, zijn vader werd geboren in Noorwegen. Hun zoon Jonas groeide op in de jaren tachtig in Noorwegen, en hoorde thuis altijd verhalen over de Sovjet-Unie. ,,Dat donkere kwaadaardige rijk, waar familieleden woonden die moesten worden gered.''

Toen hij in 1998, op 19-jarige leeftijd, wegging met zijn camera, lag zijn reisdoel dan ook vast, de Joodse Autonome Regio in het verre oosten, al lag het nieuws al lang niet meer in dat deel van de wereld. ,,Maar ik ging met een andere instelling.''

Jonas Bendikson kwam aan op het moment dat de laatste joden naar Israël vertrokken. Hij fotografeerde hen; armoedig geklede mannen en vrouwen, in hoogwater-spijkerbroeken en leren jasjes, in een koude donkere avond op de vliegtuigtrap.

Zijn werk in de geïsoleerde gebieden in de voormalige Sovjet Unie is inmiddels tot een ,,natuurlijk einde gekomen'' – hij heeft gefotografeerd wat hij wilde. Tegenwoordig vertoeft hij regelmatig in de bergen van Nepal, om de Maoïstische rebellen te fotograferen. Grinnikend; ,,Ik heb jaren gespendeerd om de ineenstorting van een communistisch rijk te fotograferen, nu fotografeer ik een communistische revolutie.''

En die verloren gewaande familieleden, hoe is het met hen? Die bleken in Leningrad, het huidige St. Petersburg, te wonen. En tegenwoordig wonen ze in New Jersey, in de VS.

Festival international du photojournalisme, t/m 11 september in Perpignan. Inl. www.visapourlimage.com