Katrina legt tekortkomingen VS bloot

Hoe heeft dit kunnen gebeuren in het rijkste land ter wereld, vragen de Amerikanen zich af. De discussie gaat, vanzelfsprekend, voor een deel over de manier waarop je moet reageren op natuurgeweld. Maar daarachter schuilt een ingewikkelder vraagstuk: wat kan/moet een burger vragen en verwachten van de overheid? Enkele citaten uit de felle discussie die is losgebarsten.

Overheid verzaakt

Vóór 11 september 2001 gaf de Federale calamiteitendienst in de VS een opsomming van de drie waarschijnlijkste catastrofes die Amerika zouden kunnen treffen: een terreuraanslag op New York, een grote aardbeving in San Francisco en een orkaan die over New Orleans zou razen. ,,Het scenario van de orkaan over New Orleans'', schreef The Houston Chronicle in december 2001, ,,is misschien wel het dodelijkst van allemaal.'' De krant beschreef een mogelijke ramp die zeer veel weg had van de huidige ellende.

Hoe komt het dan dat New Orleans en de VS zo onvoorbereid waren? Na 11 september 2001 werden in naam van de nationale eenheid de lastige vragen uitgesteld, daarna werden ze begraven onder een dikke laag smoesjes. Dit keer moet er verantwoording worden afgelegd. [...]

Ik ben van mening dat onze huidige leiders op een fundamenteel niveau een aantal wezenlijke functies van de overheid gewoon niet ernstig nemen. Ze houden van oorlogvoering, maar ze houden er niet van om veiligheid te bieden, mensen in nood te redden of geld in preventieve maatregelen te steken. En ze vragen nooit, maar dan ook nooit, om een gezamenlijk offer.

Afgelopen donderdag deed Bush een wel heel fantastische uitspraak: dat niemand de dijkbreuken had verwacht. In werkelijkheid was er nu juist voor dat risico herhaaldelijk gewaarschuwd.

Amerika, eens beroemd om zijn kordate houding, heeft nu dus een onmachtig bestuur, dat excuses zoekt in plaats van zijn werk te doen. En terwijl het excuses zoekt, komen er Amerikanen om.

(Columnist Paul Krugman, hoogleraar economie en internationale betrekkingen, in The New York Times)

Te veel bureaucratie

De voornaamste les uit het rapport van de onderzoekscommissie naar de voorgeschiedenis van 9/11 was dat we er niet in slagen onze kennis goed te gebruiken, omdat we te afhankelijk zijn geworden van grote bureaucratische lichamen. Grote bureaucratische overheidsinstellingen, zoals de FBI, de CIA, de FEMA en de Genietroepen, hebben onderling weinig contact. Zij zijn moeilijk te motiveren, als dat überhaupt al lukt. Het gelobby om budgetten, de levensaders van deze organisaties, zorgt ervoor dat hun bestuurders zich maar al te graag schikken naar de politieke grillen van het moment. De problemen van de echte wereld, zo merkte het 9/11-rapport op, lijken onvermijdelijk verafgelegen en klein: ,,Als het gevaar zich eenmaal in volle omvang heeft geopenbaard, is het makkelijker om in actie te komen – maar dan is het misschien al te laat.''

Het Department of Homeland Security (departement voor de binnenlandse veiligheid), een nieuwe bureaucratische organisatie, heeft vanaf 2001 getracht een bruikbaar plan op te stellen voor het geval zich weer een grote terreuraanslag binnen de VS zou voordoen. De mogelijkheid – of waarschijnlijkheid – van een vogelgriep-pandemie begint tot het publieke bewustzijn door te dringen, maar de regering heeft moeite een toereikende voorraad entstoffen bijeen te brengen of een distributiesysteem voor vaccins op te zetten. Wat zou er eerder zijn, de vogelgriep of het distributiesysteem?

Grote bureaucratische organisaties kunnen onze dood worden. Dat is eigenlijk al zo. Je kunt stellen dat dit nu eenmaal een onvermijdelijk gevolg is van het leven in een geavanceerde, complexe democratie. Ja, tot op zekere hoogte. Een open politiek systeem leidt inderdaad tot ondoelmatigheden (hoewel de regering van gouverneur Jeb Bush in Florida na de verwoestingen van orkaan Andrew vermoedelijk doortastender is opgetreden dan het team van gouverneur Blanco in Louisiana na orkaan Katrina). En wellicht begreep het laaggelegen, genotzuchtige New Orleans dat het een gevaarlijk spel met het lot speelde.

Maar we moeten op z'n minst erkennen dat we onze steeds zwaarder wordende problemen – terrorisme, virussen, de groei van het aantal catastrofale natuurrampen – tegemoet treden met een overheidsapparaat dat steeds vaker lijkt op dat van een onmachtig derdewereldland.

Sterker nog, ik vind dat we moeten overwegen een deel van deze taken uit te besteden aan de privé-sector. De afgelopen dagen hebben diverse bedrijven hun diensten aangeboden, zoals Anheuser-Busch en Culligan (water), Lilly, Merck en Wyeth (medicijnen), Nissan en GM (auto's en vrachtwagens), Sprint, Nextel en Qwest (communicatie-apparatuur en telefoonkaarten), Johnson & Johnson (toiletartikelen en eerste hulp), Home Depot en Lowe's (mankracht). Geef een projectbeheerder als Bechtel de bevoegdheid contracten af te sluiten om deze hulpmiddelen te organiseren. Gebruik de bureaucratische overheidsinstanties als een soort infanterie.

Een rol voor de overheid is onontkoombaar en politiek leiderschap is noodzakelijk. Maar als we te maken krijgen met dit soort grootschalige rampen, zoals de verwoesting van een grote havenstad, moeten we een beroep doen op onze meest vindingrijke geesten – zowel in de privé-sector als in de academische wereld – om de gevolgen te verzachten. Klinkt dat belachelijk en ongeloofwaardig? Kijk naar uw tv. De toestand is bepaald niet lachwekkend.

(Journalist Daniel Henninger in de Wall Street Journal)

Onverschilligheid

[...]De regering heeft gisteren gezegd dat niemand de doorbraak van de dijken had voorzien. Heeft de regering dan de waarschuwing van de FEMA [rampenbestrijding] uit 2001 niet gezien of in de wind geslagen, over het gevaar dat een verwoestende orkaan de bevolking van New Orleans zou treffen? Wist zij niet, of gaf zij er niet om, dat civiele en militaire technici al jaren waarschuwden voor de gevaren die dreigden als het systeem voor de regulering van overstromingen niet werd verbeterd? Wist zij of bekommerde zij zich erom dat dezelfde regering die nu jammert over de ellendige toestand van de mensen, de noodzakelijke fondsen voor overstromingsbestrijding langs de Golf van Mexico met tientallen miljoenen heeft beknot?

In heel het zuiden zijn tallozen gesneuveld, en de kosten aan verwoeste woningen, ondernemingen en de hele fysieke en sociale infrastructuur lopen in de honderden miljarden.

De president heeft gezegd dat de kust van de Golf van Mexico er uitziet alsof hij door wapengeweld is verwoest. Dat ís ook zo: onverschilligheid is een massavernietigingswapen.

(Congreslid Dennis Kucinich, Democraat, in een toespraak om geld in te zamelen voor de slachtoffers)

Vertrouwen is weg

[...] Op 11 september 2001 nam Rudy Giuliani het heft in handen. De reactie van de overheid was snel en resoluut. Rijk en arm hadden even zwaar te lijden. De Amerikanen waren getroffen, maar voelden zich verenigd en sterk. Het publieke vertrouwen in de instanties vloog omhoog.

Vorige week in New Orleans daarentegen nam niemand het heft in handen. Het gezag was onduidelijk en het optreden ondoelmatig. De rijken ontkwamen terwijl de armen in de steek werden gelaten. Leiders raakten van de kook terwijl plunderaars huishielden. De politiek kissebiste terwijl het land zich schaamde.

Regel één van de sociale samenhang dat we in tijd van crisis de kwetsbaren beschermen werd met voeten getreden. De achterlating van de armen in New Orleans stond moreel gelijk aan de achterlating van gewonden op het slagveld. Geen wonder dat het vertrouwen in de instanties keldert.

Om te begrijpen waarom dit zo'n reusachtig cultureel moment is, moeten we vooral beseffen dat de nationale vernedering van afgelopen week het sluitstuk was van een reeks ontmoedigende overheidsblunders die de psyche van het volk steeds ingrijpender hebben veranderd.

De laatste paar jaar zagen we het onvermogen van de inlichtingendiensten om 11 september te voorkomen en massavernietingingswapens in Irak te vinden. We zagen de onbekwame aanpak van de naoorlogse situaties. We zagen de ineenstorting van Enron en de corruptieschandalen op Wall Street. We zagen schandalen bij onze vooraanstaande weekbladen en kranten, doping in het honkbal, de verschrikkingen in de Abu Ghraib-gevangenis.

De Amerikanen hebben een sombere werkelijkheid moeten inzien waarvan de erkenning hun niet gemakkelijk valt: het dunne vernisje van de beschaving, de elementaire gewelddadigheid in de menselijke aard, de loerende wreedheid van de omgeving, de beperkingen aan onze kennis en kunde, de logge reacties van bureaucratieën, de onzekere vorderingen van goed versus kwaad.

Hierdoor ontstaat weer een beetje het gevoel van de jaren zeventig, ook een decennium waarin mensen het geloof in hun instellingen verloren en ook iets van hun vertrouwen in de toekomst verloren. [...]

De fundamentele realiteit van het dagelijks leven is goed. De economie en de morele cultuur zijn sterk. Alleen het vertrouwen in de instellingen is weg. De oorzaak is een opeenvolging van bestuurlijk falen, van pure onbekwaamheid. Vandaar dat opiniepeilingen wijzen op een wijdverbreid gevoel dat het met het land de verkeerde kant op gaat.

Katrina zal tot gevolg hebben dat de politieke cultuur, die op veel plaatsen al verbitterd en vol onvrede was, nog verder zal verschuiven. Er komt een reactie. Er zal met nog meer ongeduld naar iets nieuws worden uitgezien.

(Columnist David Brooks in The New York Times)

Leger in eigen land

De wijze waarop tot dusverre op Katrina is gereageerd, duidt op twee zwakke plekken in de houding van de regering-Bush ten aanzien van de binnenlandse veiligheid. De federale overheid heeft niet geleerd te plannen voor een tragedie die vereist dat een stad enige tijd draaiend wordt gehouden, maar alleen voor een situatie waarin eenmalig wordt ingegrepen om de doden en gewonden uit de puinhopen te halen, waarna de boel gauw weer wordt opgebouwd. Het ministerie van Binnenlandse Veiligheid lijkt niet genegen plannen te maken om bij een civiele ramp het Amerikaanse leger in een vroeg stadium in te zetten.

Presidenten hebben altijd weer onderschat hoe moeilijk dat is. In 1962 dacht Kenneth O'Donnell, een naaste medewerker van John F. Kennedy, dat het eenvoudig zou zijn om snel troepen in te zetten om James Meredith te beschermen toen deze door voorstanders van rassenscheiding werd aangevallen toen hij als eerste zwarte probeerde zich in te schrijven aan de Universiteit van Mississippi. ,,Als de president van de Verenigde Staten één telefoontje pleegt en zegt `Als de bliksem daarheen','' zei O'Donnell, ,,dan zullen ze verdomme toch wel binnen vijf minuten in het vliegtuig zitten.'' Kennedy pléégde dat telefoontje, maar moest vervolgens machteloos aanzien hoe het leger uren treuzelde voordat het eindelijk in Oxford, Miss., in actie kwam.

Zo is de regering-Kennedy erachter gekomen dat je het leger van tevoren moet zeggen wat het moet doen. Om redenen van rechtspositie en eigen voorkeur oefent het leger maar weinig voor binnenlandse opdrachten. Het sputtert tegen en moppert over posse comitatus – het juridische beginsel dat verbiedt dat het leger wordt ingezet voor handhaving van de wet – en laat het zware werk over aan de nationale garde en staats- en lokale overheden. Die aanpak is meestal juist gebleken. Maar in een tijdperk waarin wij geacht worden beter te zijn voorbereid op rampen in steden, had men de traditie dat de federale overheid en het leger pas ingrijpen wanneer de plaatselijke en staatsoverheden het niet aankunnen, eens kritisch moeten bekijken.

(Historicus Tim Naftali op slate.msn.com)

Playboy Bush

Tot de minder frisse ijdeltuiterijen van de meeste politieke leiders behoort de stille wens om eens op historische schaal op de proef te worden gesteld. Bill Clinton heeft meermalen mensen toevertrouwd dat hij, ongeacht wat hij verder deed als president, zonder een grote oorlog nooit het niveau van Lincoln en Franklin D. Roosevelt zou kunnen bereiken. Tijdens de presidentiële debatten in 2000 zei George W. Bush tegen zijn tegenstander Al Gore dat natuurrampen ,,de gelegenheid bieden om te tonen wat je waard bent''.

Bush had zijn vader zien weifelen na een orkaan in zuidelijk Florida. Maar híj heeft het nu veel bonter gemaakt. Vorige week heeft Bush vijf dagen lang, van het moment dat de orkaan op maandagochtend de kust van de Golf van Mexico bereikte tot aan zijn late bezoek aan de regio op vrijdag, kunnen laten zien wat hij waard was – en hij heeft het in bijna alle opzichten laten afweten.

Van een orkaan kun je uiteraard niemand de schuld geven, en de politieke misrekeningen die aan het licht zijn gekomen – de nonchalante planning, de trage reddings- en hulpacties, de uiterst verwarde en ongeïnspireerde politieke leiding – kun je niet allemaal president Bush voor de voeten werpen. Maar in het interview dat hij – in het defensief, verward, overdonderd – in ABC's Good Morning America gaf aan Diane Sawyer, voelde je dat hij wist dat hij in de eerste dagen van de crisis een aantal slappe, vage, bijna luchthartige speeches had gehouden, en dat er maar één manier was om verdere politieke schade te voorkomen – hij moest zichzelf inenten met de onvermijdelijke oproep om de partijpolitiek erbuiten te laten: ,,Het kan toch niet zo zijn dat men op dit moment politieke spelletjes gaat spelen.''

Dat neemt niet weg dat deze crisis Bush' tekortkomingen als leider en als persoonlijkheid op waarlijk ontstellende wijze aan het licht heeft gebracht. Gebruind en uitgerust na een vakantie die zo lang was dat een Franse playboy zich ervoor zou schamen, reageerde Bush met beneveld wangedrag, alsof hij tijdens zijn zomerverblijf zo was weggedut dat hij nog niet helemaal klaar was om de werkelijkheid onder ogen te zien, laat staan haar aan te kunnen. [...] Van het grote idee van zijn presidentschap – dat hij een van nature begaafde opperste leider was, die werd gesteund door `grote jongens' als Dick Cheney en tactische wizards als Karl Rove – leek nu net zo weinig meer over als van Biloxi en New Orleans. Het bestuurlijke broddelwerk rond de door Katrina veroorzaakte overstromingen is een afspiegeling van het wanbestuur in het Witte Huis – de hooghartigheid, de jammerlijke besluiten, het zelfbedrog – in het naooorlogse Irak.

Niet minder ernstig is dat door de prioriteiten van de president, zijn onverschilligheid voor kwesties van infrastructuur en milieu, een toch al complexe ramp nog is verergerd. [...]

Het gebrek aan nieuwsgierigheid van de president, zijn arrogant volgehouden pose dat hij een onvoldoende geïnformeerde, `instinctief opererende' figuur is, maakt nu ook niet meer zo'n charmante indruk, als het dat al ooit gedaan heeft. In het interview met ABC zei hij: ,,Ik geloof niet dat iemand de dijkdoorbraken heeft voorzien.'' Zelfs bij zeer oppervlakkige beschouwing wordt duidelijk dat er al jaren op grote schaal is gewaarschuwd voor het gevaar van een ijzingwekkende ramp aan de kust van de Golf van Mexico. [...]

(Hoofdredacteur David Remnick op de website van zijn The New Yorker)

www.nrc.nl/opinie

Volledige teksten