In en uit het paradijs

Tijd voor de laatste vakantiefoto's en de laatste vakantieverhalen. Beide laten zien wat de reizigers daarginds gezien hebben. Het ochtendlicht op de nog vrijwel rimpelloze zee. Het bij avondval langzaam wegtrekken van de kleuren. De hoogoprijzende kust waarboven nog wat lila lucht. De enorme Egyptische beelden. De tempel op de kaap boven zee. De onbegrijpelijk wijde Afrikaanse vlakte. De leegte van het noordelijke landschap.

Wat we gedaan hebben, waarvoor we gegaan zijn misschien wel, is gekeken. Ook als je niet ver weg gaat, wil je ergens heen waar je kunt kijken naar iets. Naar licht, naar vogels, naar wind in takken of juist naar gebouwen, schilderijen, mensen op straat.

Koos van Zomeren schreef eens bij het zien van tienduizend opstijgende wespendieven: ,,Het was een ervaring van absolute religieuze schoonheid. Ik vind dat iemand die zoiets gezien heeft het eeuwige leven verdient.''

Ik denk niet dat Van Zomeren in het eeuwige leven gelooft, en of het iets is om naar te verlangen weet ik ook niet. Maar hij drukt een gevoel uit: dat iets moois of indrukwekkends gezien hebben iets aan je toevoegt, bijna als verdienste.

Wat is dat toch, dat zien. Het is trouwens vaak meer dan zien, bij het zien komt het zijn, de ruimte voelen waarin datgene wat je ziet zich bevindt, het ondergaan van het landschap, van de beweging. Alsof je min of meer wordt wat je ziet. Of dat zou willen in ieder geval. Dat is al een oud verlangen, zozeer op te gaan in wat men ziet dat het onderscheid tussen kijker en bekekene vervaagt. De dertiende-eeuwse mysticus Meister Eckhart heeft daar eens mooi over geschreven, over dat overgegeven kijken, gewoon naar een stuk hout: ,,Gebeurt het echter dat mijn oog één en enkelvoudig is in zichzelf en wordt geopend en met een blik gericht wordt op het stuk hout, dan blijven ze ieder voor zich wat ze zijn, en toch worden ze in de werkzaamheid van het kijken zo één, dat je naar waarheid zou kunnen zeggen: ooghout, en het stuk hout is mijn oog.''

Er is wel en geen onderscheid meer. Zoals Van Zomeren die vogels zag maar ze in zekere zin ook wás, neem ik aan. ,,Dit nemen ze ons nooit meer af'', ook zo'n zin die je makkelijk uitspreekt als je iets ziet dat grote indruk op je maakt. Deze baai, dit licht, zijn gezien en van mij. Ik ben ze. Het is verwonderlijk hoe groot het verlangen is om op te gaan in wat je ziet, als dat iets is wat je graag ziet. Geliefden hebben het: ,,Dat ik u zien moet en u niet kan zijn'', schreef Vasalis.

Het is een bekend maar ook een vreemd verlangen, omdat het in zekere zin een verlangen naar onbewustheid is. Volledige concentratie, volledig opgaan in iets, betekent ontheffing van het zelf, van het weten wie en waar en wat je bent. Veel religieus verlangen streeft ook naar dat niets, het opgaan in het geheel dat dan al of niet god wordt genoemd. Maar we willen er wel weet van hebben, ook, dus moeten we steeds maar weer uit het paradijs vallen en terugkeren in onze staat van gescheiden-zijn van de wereld die we zien.

Laatst met een groepje vrienden de traktaten gelezen van Meister Eckhart, die vooral één ding zegt: dat je ernaar moet streven om alleen maar te willen wat God wil, om jezelf zo leeg te maken dat het niet anders kan of je wordt gevuld door God. Eckhart spoort zijn lezers aan om anders in het leven te staan dan een mens gewend is te doen. ,,Let nu goed op'', zegt hij steeds weer, en dan komt er wat. Wat er komt heeft altijd te maken met God. Die god van hem is geen meneer, maar eerder een leegte, of een volte, hoe je het wilt zeggen. God is het zijn. En het intellect. En het zien. Maar God is ook niets van wat je over God zegt.

Toch wordt de toehoorder steeds opnieuw aangespoord om de wil van die onkenbare god te doen. Loslaten al het aardse, dat is steeds weer de boodschap. Geen gehechtheid meer aan wat je toevallig dagelijks toevalt, richt je op het andere. Op God. ,,Als je je wil niet opgeeft, word je nooit een waar mens.''

Het zijn geen heel makkelijke aanwijzingen. Hoe doe je dat, leegmaken. Hoe wil je niets meer en leeft toch? En waarom staat die wil zo in de weg?

Eén van ons kwam met een nuttige vergelijking. Let nu goed op, zei hij. Ik tennis wel eens. En als je tennist moet je uiteraard proberen de bal te raken. Elke tennisser weet dat je daarom bij het tennissen vooral één ding moet doen: naar de bal kijken. Je helemaal richten op de bal. Niets anders zien dan de bal, bij wijze van spreken de omega op de bal zien voor je hem slaat. Denk je: ik ga naar links rennen en die bal naar rechts slaan, dan ben je met het verkeerde bezig, en sla je een rotbal. Hoe beter de tennisser, hoe meer hij of zij zich vereenzelvigt met de bal.

Zo, zei hij, bedoelt Eckhart het waarschijnlijk met God en met dat ontledigen.

We vonden het jammer dat Eckhart niet getennist had, want dan had hij deze mooie verhelderende vergelijking kunnen gebruiken. Bal en oog worden één. Oogbal, en de bal is mijn oog.

Zou zo, met terugwerkende kracht, de vakantie, elk intensief kijken tot een mystieke ervaring gemaakt kunnen worden? Denkelijk wel. En niet alleen het kijken, ook het intensieve doen: de wielrenner wordt één met zijn fiets, de wandelaar maakt geen onderscheid meer tussen zijn lopende benen, zijn kijken en het landschap, de zwemmer is net zo goed het water. Allemaal verdwijningsoefeningen. Bij de gratie van de terugkeer uiteraard. Zoals Kopland ooit schreef in het gedicht `Baai': ,,Blijft over iets roerloos, een moment waarin/ het strand verlaten is, de zee stilgevallen,/ de ankerkettingen zwijgen, het licht dat oude/ lila houdt, en niets verdwijnt – waarin/ de baai daar ligt zoals hij is, voorgoed,//en een verlangen, dat dit moment voorbijgaat.''

    • Marjoleine de Vos