Corporaties uniek in EU

De woningcorporaties zijn uniek in Europa. Zij zijn grote sociale verhuurders, geworteld in het Nederlandse zuilenstelsel.

De Nederlandse woningcorporaties, die samen 2,4 miljoen betaalbare huurwoningen bezitten, zijn binnen Europa een buitenbeentje. Dat schreef onderzoeker Johan Conijn van adviesbureau Rigo in april al in een rapport voor de Tweede Kamer: ,,In vergelijkend perspectief is de corporatiesector een bijzonder geval.''

Maar hoe lang nog? Nu liggen de corporaties onder vuur van Europees Commissaris Kroes voor mededinging. Zij heeft in reactie op vragen van het ministerie van Volkshuisvesting duidelijk gemaakt dat de corporaties zich moeten beperken tot huisvesting van mensen met lage inkomens, zo onthulde de Volkskrant zaterdag. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben.

De ruim vijfhonderd corporaties bieden niet alleen woonruimte aan lage inkomens, zij zijn ook huisvester van een deel van de middengroepen. De Nederlandse woningmarkt valt in twee blokken uiteen: 54 procent van de huizen is eigendom van de bewoner, de overige 46 procent is in handen van verhuurders. De kopersgroep groeit. In 1982 was nog 58 procent van de woningen een huurhuis. Onder de verhuurders zijn de corporaties dominant, met zo'n 90 procent marktaandeel. De politieke tijdgeest steunde de kopersmarkt, maar sinds 2001 zetten politici de corporaties onder druk om hun nieuwbouw te verhogen. Met succes, zo blijkt uit de laatste cijfers.

In Europees perspectief is de Nederlandse sector sociale huurwoningen uitzonderlijk groot. Onderzoeker Conijn becijfert een sociaal aandeel op de Nederlandse markt van 35 procent. Alleen Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk komen in de buurt.

De corporaties zijn niet alleen uitzonderlijk groot, zij zijn ook typisch Nederlands. Hun wortels liggen bij de zuilen: opgezet als zelfstandige coöperaties van algemene, religieuze of sociaal-democratische snit. Namen als Patrimonium, St Joseph, Volksbelang.

Tien jaar geleden sneed de rijksoverheid alle financiële banden met de corporaties door. Zij gingen zelfstandig verder als particuliere organisaties. Het private karakter hebben zij gemeen met andere steunpilaren van het maatschappelijke middenveld: scholen, ziekenhuizen en omroepen. Zij zijn ontsproten uit particulier initiatief, vallen buiten de reikwijdte van de macht van de minister, maar worden deels gefinancierd met belasting- en premiegelden. Overigens zijn de corporaties ook in dit opzicht afwijkend: geen overheidsgeld, wel voldoende eigen kapitaal.

Evenals andere Nederlandse organisaties merken ook de corporaties dat in de EU anders tegen hen wordt aangekeken dan thuis. De discussie daarover verloopt al een paar jaar verwarrend. Doordat Europa zoveel nationale regelingen en oplossingen kent voor lokale problemen, is steeds onduidelijk of de ene interventie uit Brussel in een specifiek nationale zaak ook voor andere geldt.

Wat is precies staatssteun? Hoever mag een bevoorrechte positie van corporaties gaan, voordat het concurrentievervalsend wordt? Minister S. Dekker van Volkshuisvesting (VVD) wil al geruime tijd nieuwe regels ontwerpen voor de sociale huursector. Daar moet de opvatting van Brussel nu expliciet in verwerkt worden.