Voor de vierde keer op de dodenlijst

`Ik ben dichter en ik kom uit Babylon, een stad in Irak die u misschien wel kent. Als ik ergens mee zit, me zorgen maak of andere sterke emoties voel, schrijf ik daar een gedicht over. Dat heb ik gedaan sinds ik zeventien jaar oud was. De laatste tijd worden mijn gedachten in beslag genomen door de vreselijke dingen die in Irak gebeuren. Elke keer als ik daar kom, gaat het slechter met mijn land. Om mijn wanhoop daarover lucht te geven heb ik een gedicht geschreven. De Nederlandse vertaling luidt als volgt:

E-mail

Beste Allah,

Ik hoef U niet aan te spreken

Zoals Mohammed al Maghout deed

Ook niet als Fadhil al Azzawi

Ik heb nu e-mail

En U kunt mij beantwoorden

Met een klik op reply

Ik zit met veel vragen

En U moet een antwoord geven

Ik ben inmiddels vijfenveertig

En ik denk dat ik wijs genoeg ben

Om U aan te spreken op Uw plichten

Wat doet U de hele dag?

Leest U de kranten?

Luistert U naar de radio?

Hebt u niets gehoord in de vrijdaggebeden

Over Irak?

Het land waar Uw naam wordt verheerlijkt

Waarom doet U niets?

Bent U dood?

Is het alleen Uw standbeeld dat we zien?

Ik wil het alleen weten

Want ik ben inmiddels vijfenveertig

En ik weet nog niet wat Uw functie is in mijn leven

U hebt hier al mijn gegevens

Fax en telefoonnummer

En e-mailadres

Ik verwacht van U een uitgebreide uitleg

Ik heb geen tijd te verspillen

Met U

Hoogachtend

Salah Hassan

Ik schreef dus een e-mail aan Allah en wat kreeg ik terug? Hate-mail! Mijn gedicht was gepubliceerd in een Marokkaanse krant en daarna buiten mijn medeweten op een website gezet. Vervolgens kwamen daar vijfenzeventig pagina's aan reacties op. Er zaten heel positieve tussen, maar ook berichten van mensen die mij toewensten dat ik blind, doof en verlamd zou raken en vervolgens lang zou leven. Mensen die eisten dat ik mijn excuses aanbood en met allerlei straffen dreigden. Die mij openlijk bedreigden met de dood. Deze mensen hebben zich de rol van Allah toegeëigend. Zij zeggen: wij hebben de wijsheid in pacht. Zij zijn extremisten en zij maken zich kwaad over mijn gedicht omdat dat gericht is tegen extremisten. Namelijk de extremisten die Irak onveilig maken met hun bomaanslagen.

Sommige van deze reacties maakten mij echt bang. Het is gevaarlijk geworden om je mening te geven, ook in Nederland. Maar ik onderga het nogal kalm. Ik heb veel ervaring met onderdrukking. Ik heb driemaal op de dodenlijst van Saddam Hussein gestaan.

Ik ben begonnen met dichten toen ik zeventien was. Ik schreef liefdesgedichten in klassieke stijl en een daarvan werd op de radiozender de Stem van Bagdad voorgedragen als gedicht van de week. Het jaar daarop deed ik mee aan een poëziewedstrijd voor scholieren in Babylon en won meteen de eerste prijs. Sindsdien werden mijn gedichten regelmatig gepubliceerd in tijdschriften.

Maar toen ik theaterregie ging studeren in Bagdad, veranderden mijn gedichten. De oorlog tegen Iran was begonnen en veel jonge mensen stierven voor niets. Dat zette me aan het denken. Ik zocht een manier om kritiek te leveren en toch in leven te blijven. Mijn gedichten werden heel onduidelijk omdat ik daarin tussen de regels door het regime veroordeelde. Dat kon natuurlijk niet lang goed gaan.

Ik heb in totaal vier keer in de gevangenis gezeten. De laatste keer was in 1987, toen hebben ze me zo hard gemarteld dat ik mijn rechteroog verloor. Daarna heb ik me lange tijd stil gehouden, dat kun je begrijpen. Maar in 1992 haalde een vriend me over mee te doen aan de nationale poëziewedstrijd van Irak. Hij zei: ,,Je bent een van de beste dichters van Irak. Als je niet mee doet is dat heel jammer.'' Mijn inzending ging over de hele geschiedenis van pijn die Irak heeft doorgemaakt, maar om dat te verhullen had ik allerlei mythologische namen gebruikt. Ik won de eerste prijs en las mijn werk voor in tal van steden, ook in Babylon, mijn eigen stad. Ik meende dat er die avond alleen vrienden in de zaal zaten, dus toen na afloop een discussie ontbrandde, sprak ik me uit tegen het regime. Dat had ik beter niet kunnen doen.

Een paar dagen later sprak een onbekende me aan in een schrijverscafé in Bagdad. `Er ligt een bandopname van die avond in Babylon op het bureau van de minister van Cultuur. Als hij dat bandje heeft afgeluisterd, ben je dood.'

Ik aarzelde geen moment en vluchtte naar Jordanië en later Syrië, waar ik werk vond als journalist. Mijn vrouw en kinderen zaten nog in Irak en mochten het land niet uit, maar het lukte mijn vrienden hen naar Syrië te smokkelen. Dat overtuigde Saddam ervan dat er een groep staatsgevaarlijke activisten rond mij was gevormd. Ik las in de krant dat ik op de dodenlijst stond.

Ook in Syrië en Jordanië zat de Iraakse geheime dienst achter mij aan, waardoor ik uiteindelijk bij het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties asiel aanvroeg. Zodoende nodigde het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken mij in 1995 uit om mij te vestigen in hun rustige, vrije land. Sindsdien woon ik hier.

Maar toen Saddam viel, wilde ik natuurlijk dolgraag terug naar Irak om mijn familie en vrienden, die ik jarenlang niet had gezien, weer in mijn armen te sluiten. De terugkeer was een schokkende ervaring. Alles was vreemd voor mij, zelfs mijn familie. Wij begrepen elkaar helemaal niet. Door de oorlog was hun mentaliteit veranderd. De mensen in Irak hebben zo'n honger en gebrek geleden dat ze alleen maar denken aan eten en geld. Toen ik vijftienduizend boeken meebracht voor de universiteit van Basra, vroeg iedereen: hoeveel krijg je daarvoor? Ik antwoordde: helemaal niets, dit is iets wat ik doe voor mijn kapotte land. Ze verklaarden me voor gek.

Ik heb in Irak verschrikkelijke dingen meegemaakt. Weet je eigenlijk wel hoe de plek waar een autobom is geëxplodeerd er uitziet? Er liggen overal ledematen en hoofden. De straat is rood van het bloed. En het zijn geen soldaten die daar liggen, maar gewone mensen, die gewoon naar hun werk hadden willen gaan. Mijn beste vriend is bij een autobomexplosie om het leven gekomen en mijn zwager is tijdens een bomaanslag gewond geraakt. Ikzelf ben verschillende malen aan de dood ontsnapt.

De eerste keer was toen ik per taxi naar een poëziefestival in Bagdad reisde. We reden langzaam omdat een colonne Amerikaanse tanks een file had veroorzaakt. Plotseling raakte een raket een Amerikaanse tank. Onmiddellijk begonnen de Amerikanen in het wilde weg te schieten. Na vijf minuten kwamen er gevechtshelikopters. Het was net een film, of eigenlijk nog veel gekker dan een film. Ik kroop onder de taxi en zag alles om me heen vliegen. Auto's botsten op elkaar en mensen renden weg zonder te weten waar naar toe. Het was een totale chaos. Ik was verstijfd van angst.

Een tijd later zat ik in een taxi onderweg naar de universiteit van Bagdad om met iemand te spreken over mijn boekenproject, toen uit de speakers in de auto een loflied op Saddam klonk. Ik vroeg de chauffeur of dat de radio of een bandje was. Hij keek me dreigend aan en zei dat het een bandje was. ,,Zet maar uit, alsjeblieft'', zei ik. Opeens rukte hij zijn overhemd open en toonde me een bom die op zijn lijf zat gebonden. ,,En nou de auto uit'', riep hij. Ik tuimelde uit de auto en bleef verlamd van schrik op straat zitten. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik durfde geen andere taxi te nemen. Uiteindelijk heb ik mijn neefje gebeld en gevraagd of hij me wilde komen ophalen. Het was een nachtmerrie op klaarlichte dag. Nu nog denk ik: is het wel echt gebeurd?

Maar het is wel degelijk echt gebeurd. En het was niet de laatste nachtmerrie op klaarlichte dag die ik meemaakte in Irak. Dagen later stond ik na afloop van een interview in een van de rijkste buurten van Bagdad te wachten op een taxi, toen er vlakbij me een auto stopte met daarin drie mannen. Eén van hen riep: `Pak die buitenlander!' Ze dachten dat ik een rijke buitenlander was die geen Arabisch verstond en dat mijn tas vol dollars zat. Ik rende de straat over, hield een taxi aan en smeekte de bestuurder hard te rijden. Zo ontsnapte ik aan die overvallers. Maar ik was me wild geschrokken en bleef de hele weg omkijken.

Als Irakees ben je namelijk vogelvrij. Allereerst zijn er de Amerikanen. Die zijn overal en als je maar een beetje eigenaardig loopt of zo, schieten ze meteen op je. Daarnaast zijn sinds de val van Saddam de grenzen opengegaan voor allerhande wapenhandelaren, drugssmokkelaars, moslimextremisten en terroristen en is ook de geheime dienst van Saddam nog steeds actief. Dat heb ik aan den lijve ondervonden.

Ik zat met mijn broer in de auto, we gingen van Bagdad naar Babylon. Opeens kwamen er drie auto's met daarin gemaskerde mannen aangereden. Ze gebaarden dat we moesten stoppen. Mijn broer was alert, hij gaf onmiddellijk gas en scheurde weg met een snelheid van tweehonderd kilometer per uur. Maar ze bleven ons achtervolgen. Die achtervolging heeft ongeveer een half uur geduurd. Al die tijd zat ik rillend van angst in de auto. Ik wist dat ze het op mij hadden gemunt. Ik ben een bekende figuur in Irak en gemakkelijk te herkennen aan mijn haar. Ik weet niet hoe het mijn broer is gelukt, maar uiteindelijk zijn we toch thuisgekomen. Ik was zo geschrokken dat ik lange tijd geen woord kon uitbrengen. Daarna ben ik meteen naar de kapper gegaan, heb een snor laten staan en ben andere kleren gaan dragen. Toen viel ik een stuk minder op.

Ik denk dat het de geheime dienst van Saddam was die me op de hielen zat. Of anders een bende terroristen. Dit soort dingen gebeurt in Irak elke dag. Vooral vrouwen zijn het slachtoffer. Zij worden ontvoerd, verkracht en met doorgesneden keel teruggevonden. Vroeger kon je in Bagdad 's nachts gewoon over straat, nu ben je zelfs overdag niet meer veilig. Tijdens de dictatuur van Saddam durfde niemand wapens te dragen, maar nu durft iedereen alles te doen.

Ik ga niet meer terug naar Irak. Het is te gevaarlijk. Maar mijn hart wordt wel verteerd door wanhoop over de situatie. Mijn artikelen halen niets uit, de politiek doet niets en dus heb ik mij uiteindelijk uit wanhoop in een gedicht tot God gewend. Ik zei: Allah, doe iets voor dit land. Daar lopen mensen rond die jouw naam gebruiken om ons te vermoorden. Er is daar geen hoop, helemaal geen hoop. Maar ook die simpele wanhoopskreet heeft de haat opgeroepen van extremisten. Ze hebben me weer op een dodenlijst gezet. Voor de vierde keer.''

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam