Verliefd

New Orleans staat onder water. Columniste Maartje Duin herinnert zich hoe zij er ooit verliefd werd – op Bill en op de stad.

New Orleans leerde ik kennen door een minnaar. Bill was ouder dan ik en niet mooi, maar wel sterk. Hij kon mij optillen en dat kunnen er niet veel. Ik ontmoette hem in Natchez, Mississippi, in een saloon met schommelstoelen voor de deur waar de rivier zwijgend aan voorbijtrok. Hij werkte op een boorplatform voor de kust: zeven dagen van twaalf uur 's nachts tot twaalf uur 's ochtends en dan nog eens zeven van twaalf uur 's ochtends tot twaalf uur 's nachts. Daarna had hij twee weken vrij.

De banen in Natchez waren schaars, zei Bill, en op het platform werd hij goed betaald. Maar het werk was vreselijk, zijn collega's waren ongeschoold en onbeschaafd, vooral die ene met wie hij een kajuit deelde, en het ergste was dat hij veertien dagen lang geen vrouw te zien kreeg.

Over een paar dagen begon zijn volgende dienst. Om drie uur 's nachts vertrok zijn helikopter vanuit de haven. ,,Waarom rijd je niet mee'', vroeg hij, ,,dan laat ik je New Orleans zien.''

Bill had een wit sportautootje met een open dak en een luidruchtige motor waar we nauwelijks bovenuit kwamen, dus we zwegen. De rit naar de kust duurde drie uur. Het was warm. Bill had een hand aan het stuur, de andere op mijn been. In de schemering glinsterden de moerassen aan weerszijden van de weg.

Toen we de stad binnenreden, was ik verliefd, maar ik wist niet of dat door Bill kwam of door New Orleans. Niemand leek er aan te ontkomen, noch de jazz-zangeres en haar bassist, noch het oudere echtpaar met de opgetrokken sportsokken, noch de androgyne vagebonden met hun vale herdershonden en hun gitaar die hier kwamen om het te maken als muzikant, zoals ze naar Los Angeles komen om het te maken als acteur.

Op sommige plekken was de romantiek verdwenen. In Bourbon Street tetterde uit elke openstaande deur andere muziek. Vanaf de balkons toonden girls gone wild hun borsten aan het publiek. Mannen met kralenkettingen over hun bierbuiken staken hun duimen naar hen op. ,,Ze zijn hier meer losgeslagen dan in Hollywood'', merkte ik op. ,,Dit is het zuiden'', antwoordde Bill, ,,er is hier meer om van los te slaan.''

Een paar straten verderop was de stilte teruggekeerd. We bezochten de Blacksmith Shop van piraat Jean Lafitte. Een aardedonker hol, alleen verlicht door wat kaarsen op de bar. Bill kwam er vrienden tegen die ook in het ol field werkten – zo spraken ze het hier uit. Een van hen had twintig jaar lang off shore gewerkt en kon daar nu, op zijn vijfenveertigste, on shore van rentenieren. Hij noemde zich artiest.

Van de Blacksmith Shop gingen we door naar een Ierse pub. Ze schonken er Hurricanes, de plaatselijke specialiteit: een zoete mix van rum, grenadine en sinaasappelsap.

Zelfs 's nachts vielen de kleuren van New Orleans op. Het oranje van de rivierkreeftjes, het rood van de geraniums, het paars van de bougainvillea en alle andere bloemen die als druiventrossen over de balkonnetjes hingen. Gele, groene, blauwe balkonnetjes, opgetrokken uit het hout van schepen die met hun vracht de Mississippi waren afgedaald en niet meer stroomopwaarts konden.

Rond middernacht liepen we naar het hotel, een beetje daas van de Hurricanes. Straks moest Bill naar zijn helikopter, morgen zou ik de trein naar Los Angeles nemen. We hadden nog een paar uur, in New Orleans.

    • Maartje Duin