Tussen fundamenteel onderzoek en productdivisies

`IK KRIJG een heel laboratorium in te richten en zal allerlei metingen moeten doen die ons de formule van de gloeilamp zullen leren kennen.' Aldus schreef een enthousiaste Gilles Holst eind 1913 aan zijn vriend Adriaan Fokker. Holst was zojuist door Gerard Philips aangetrokken om in Eindhoven een natuurkundig laboratorium op te zetten. Maandag 2 januari 1914 kon hij aan de slag – dat scheelde een dag salaris.

Dit Nat.Lab., zoals de naam al snel luidde, was uitdrukkelijk niet bedoeld om kwaliteitscontroles uit te voeren. Natuurkundig onderzoek, zo was de gedachte, zou nieuwe inzichten opleveren die Philips minder afhankelijk zouden maken van kennis van buiten en van patenten van andere bedrijven. Ook elders werden aan het begin van de twintigste eeuw bedrijfslaboratoria opgezet: General Electric (1900), Du Pont (1902), Siemens (1905), AT&T en Eastman Kodak (1910) en Shell (1914). Op wetenschappelijke basis – elementair begrip stond voorop – werd aan trouble-shooting gedaan, bestaande kennis werd ingezet om verbeteringen aan te brengen en te innoveren (ontwikkelwerk) en er was fundamenteel onderzoek op nieuwe, potentieel interessante terreinen dat op de lange termijn wellicht tot producten zou leiden.

De geschiedenis van het Nat.Lab., de rol die het vervulde en de dynamiek die het van karakter deed veranderen zijn – in opdracht van Philips – op gedegen wijze in kaart gebracht door techniekhistoricus Marc de Vries. Zijn boek 80 Years of Research at the Philips Natuurkundig Laboratorium (1914-1994) komt op een moment dat Philips Research – de nu gebruikelijke naam – het terrein met laboratoria in Waalre (in 1963 betrokken) uitbreidt en transformeert tot High Tech Campus. De Vries' studie sluit aan bij het proefschrift van Kees Boersma uit 2002, dat de periode tot 1946 bestrijkt. Het boek illustreert de toenemende aandacht voor techniekgeschiedenis in Nederland.

In de beginjaren stond het Nat.Lab. in dienst van de gloeilamp. Tot 1923 was de omvang van de staf zeer bescheiden, daarna zette een enorme groei in. Die had alles te maken met de wens tot diversificatie: radiobuizen en röntgenbuizen waren een nieuwe markt. In 1930 had het Nat.Lab. ruim 200 werknemers, onder wie enkele tientallen academici. De komst van specifieke fabriekslaboratoria bij Philips `bevrijdde' het Nat.Lab. van veel productie-activiteiten. Holst creëerde doelbewust een academische ambiance. Publiceren in wetenschappelijke tijdschriften en het bezoeken van conferenties moedigde hij aan en colloquia met wereldberoemde fysici moesten zijn onderzoekers op de hoogte houden van de nieuwste ontwikkelingen. De lezing die Albert Einstein in 1923 te Eindhoven hield droeg als titel: `Biedt de huidige theoretische natuurkunde, gebaseerd op partiële differentiaalvergelijkingen, mogelijkheden om de raadsels van de quantumtheorie op te lossen?' Een nieuw product zal de toehoorders niet direct te binnen zijn geschoten, maar dergelijke optredens hadden wel een aanzuigende werking op getalenteerde fysici. Andersom kwam het voor dat Nat.Lab.-fysici hoogleraar werden op een universiteit.

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het Nat.Lab. van karakter. In Amerika had Vannevar Bush's rapport Science - The Endless Frontier het kapitale belang van basic research voor industriële applicaties onderstreept en dat geloof in de heilzame werking van fundamenteel onderzoek waaide over naar Eindhoven. Op het Nat.Lab. werd het belichaamd door Hendrik Casimir. Deze theoretisch fysicus maakte in 1942 de overstap van de Leidse universiteit naar Philips, behoorde in 1946 tot het driemanschap dat Holst opvolgde en zat vanaf 1956 tevens in de Raad van Bestuur.

Op dat moment had Philips, inmiddels een multinational, productdivisies (PD's) in het leven geroepen, met eigen ontwikkellaboratoria. In die nieuwe structuur behield het Nat.Lab., dat een indeling in onderzoeksgebieden hanteerde en de onderzoekers grote vrijheid bood, zijn zelfstandige positie: het geld kwam rechtstreeks van het corporate management. Casimir zag het Nat.Lab. vooral als een speeltuin voor fundamenteel onderzoek en klaagde bij het topmanagement dat meer geld nodig was teneinde op bepaalde wetenschapsgebieden niet nóg verder achterop te raken. Waar het aan schortte was een regelrechte klapper, `the big Phish'. Dat neemt niet weg dat het Nat.Lab. grote successen boekte. Vooral Plumbicon, een oppikbuis voor tv-camera's, en het LOCOS-procédé voor het integreren van transistoren op een chip waren zeer lucratief. Onderzoek naar de Stirlingmotor kostte alleen maar geld en werd door enthousiastelingen in leven gehouden.

Gevolg van de nieuwe structuur was dat de transfer van Nat.Lab.-kennis naar productdivisies vaak moeizaam verliep. Productdivisies hadden vooral oog voor commerciële haalbaarheid en legden Nat.Lab.-ideeën voor nieuwe producten doodleuk naast zich neer. Andersom verloor het Nat.Lab. iedere interesse in een onderwerp zodra er fundamenteel weinig meer aan te beleven viel. Kortom, het schortte aan mutual commitment. Vanaf 1959 kwamen er tentoonstellingen waarop het Nat.Lab. de productdivisies liet zien welk onderzoek commercieel perspectief bood, maar die konden de irritaties niet wegnemen. Het kwam voor dat productdivisies het Nat.Lab. `oversloegen' waar een onderzoeksbijdrage van die kant voor de hand had gelegen, zoals bij de ontwikkeling van de compact cassette.

In de jaren zeventig, toen de bomen niet meer tot in de hemel groeiden, had dit zijn weerslag op het Nat.Lab. Niet meer het vrije fundamentele onderzoek stond voorop, maar fundamentele kennis waar de productdivisies hun voordeel mee konden doen. Onderzoek naar supergeleiding en magnetische bellen verdween bij gebrek aan belangstelling van de productdivisies. Deze veranderde verhoudingen vertaalden zich naar een andere financiering. Sinds 1989 krijgt het Nat.Lab. (ruim tweeduizend werknemers) nog maar eenderde van zijn budget rechtstreeks `van boven', de rest moet het bijeen zien te sprokkelen door het afsluiten van contracten met productdivisies.

Die klantgerichte benadering was wennen. `A research success is a real success only if it is a business sucess', is tegenwoordig het credo. Maar zonder Nat.Lab. gaat het niet. De compactdisc (CD) mag geconcipieerd én ontwikkeld zijn in een productdivisie, alleen met de kennisinput van het Nat.Lab. kon het zover komen.

marc j. de vries. 80 years of research at the philips natuurkundig laboratorium 1914 - 1994. pallas publications, geïll., 325 blz. isbn 90 8555 051 3. prijs: €29,50.