René Girard en de crisis van het nagebootste verlangen

In 12 afleveringen schrijft Willem Jan Otten over de schrijvers en denkers die hem inspireren. In deel 3 van zijn serie de Franse denker René Girard.

Gesteld: een koning vraagt zijn beste vriend om na een lange logeerpartij nóg enkele weken te blijven. De vriend zegt dat hij liever naar huis wil. De koning dringt aan - hoe heerlijk zou het zijn om het samenzijn te verlengen! De vriend weigert, vriendschappelijk. Dan zegt de koning tegen zijn (hoogzwangere) vrouw: vraag jij of onze vriend wil blijven. Aldus geschiedt. De vrouw praat, binnen het blikveld van de koning, met de vriend. Wat er gezegd wordt hoort de koning niet, maar het resultaat is dat de vriend besluit om te blijven.

Op dit moment verandert onze koning in een ziedende bruut. Hij gooit zijn vrouw het huis uit. Hij roept om haar dood. De vriend pakt zijn biezen.

Dit is de openingsscène van Shakespeare's Winteravondsprookje. De ommekeer van de koning kan schijnbaar op maar één manier verklaard worden: er 'is iets' tussen de vriend en de vrouw, en de koning beseft dat eindelijk. Vandaar zijn razernij. Plotseling weet hij dat het kind dat de vrouw draagt van zijn vriend is. Plotseling is alles kapot.

Maar wat als er niets tussen de vriend en de vrouw is? Wat vertelt de scène ons dan?

Er is een Fransman die dol is op dit soort situaties. Hij is de ideale denker voor toneelschrijvers en verliefden, maar ook voor hen die zich afvragen waarom de wereld koortsachtig gewelddadig is. Zijn naam is René Girard (1923). Hij heeft sinds de verschijning van zijn eerste grote werk (De romantische leugen en de romaneske waarheid, 1961) welbeschouwd maar één enkel denkbeeld uitgewerkt, dat hij 'de mimetische begeerte' heeft gedoopt. Als je wil verklaren, dat mensen en samenlevingen net als de koning en zijn hof onophoudelijk naar de ratsmodee gaan, kun je aannemen dat er een standaardcrisis bestaat. Die van het nagebootste verlangen.

David Beckham

Zien of denken we dat een ander op een derde valt, dan bootsen we diens begeerte na. Of het nu een verliefdheid is op een onbekende, of om het plotseling opkomende verlangen naar een weekend Vlieland, of om bij de kapper ineens een totaal ander kapsel te verordonneren - steevast blijkt je begeerte bemiddeld te zijn. Door een boezemvriend die terloops zei: 'aantrekkelijke vrouw, vind je niet?' (en je had haar nog helemaal niet opgemerkt...) Door een bewonderde schrijfster die in een interview Vlieland had gemompeld. Door een foto in Vanity van David Beckham met nieuw haar.

Het curieuze is dat we denken dat we helemaal op eigen kracht zijn gaan begeren. We denken de bemiddelaar weg. De verliefdheid, het reisje, het kapsel komt ons het eigenste voor. Het woord 'passie' is ons in de mond bestorven. Die moeten we najagen; daarmee drukken we 'ons zelf' uit.

Ziedaar de 'romantische leugen'. Volgens Girard kunnen we die vervangen door een waarheid, die hij 'romanesk' noemt. De grote schrijvers sinds Cervantes hebben dat allemaal op hun eigen wijze gedaan. Proust, bijvoorbeeld, heeft na zijn mislukte eerste roman het boek geschreven waarin de hoofdpersoon, Swann, zijn Odette alleen bemint zolang hij door de ogen van rivalen naar haar kan kijken. Heel A la Recherche du Temps Perdu is een labyrint van zulke bemiddelde begeertes geworden. Girards andere favoriete voorbeeld is Dostojevski. Pas sinds die het nabootsende karakter van de hartstochten onderkende, werd hij Dostojevski, en nemen zijn boeken onze samenleving de profetische maat.

Girard beschouwt 'zijn' schrijvers nauwelijks als literatoren. Hij analyseert ze als waren ze collega-menskundigen. Met dien verstande dat hij altijd verklaart zijn inzichten aan de schrijvers ontleend te hebben: hun scènes ontsleutelen de mimetische begeerte. Niet zelden zegt Girard dat de werken die hij bestudeert meer weten dan hun scheppers. Het is een van Girards aantrekkelijke eigenschappen dat hij beweert niet origineel te zijn. 'Onze bloedeloze 'creativiteit' leidt vrijwel nooit tot echte meesterwerken.'

Hitsig omslagpunt

Met zijn theorie is Girard zich steeds meer gaan richten op het gewelddadige karakter van de menselijke soort. Door de bemiddelde begeerte ontstaat er een epidemie van 'elkaar kruisende' en bestrijdende begeertes, met steevast eenzelfde hitsig omslagpunt: dat waarop de intern rivaliserende groep zich gaat richten tegen één lid van de samenleving. Dat is wat Girard in de niet-joods-christelijke mythes ziet. Of het nu de Oedipus is, of de Ilias, of Azteekse mensenoffer-verhalen: telkens slaat in de 'mythologische' verhalen de mimetische crisis om in het zondebokmechanisme. De onderlinge rivaliteit keert zich unaniem tegen een schuldige, soms mismaakte, altijd outcast-achtige enkeling. De moord op deze ene doet de rust terugkeren. Deze rust, dat is de 'beschaafde orde'; zij is gevestigd op mensenoffer. De orde duurt zolang de mimetische crisis, die altijd weer op zal laaien, bedwongen wordt door een geritualiseerde herinnering aan het offer. In die zin hebben samenlevingen een religieus fundament.

Toen ik Girards boeken voor het eerst las, begin jaren negentig, was het alsof ik met mijn neus in mijn eigen cultuurrelativisme werd geduwd. Ik las Nietzsche, en Griekse tragedies; ik wilde begrijpen wat 'tragisch' was. Ik zocht een levenshouding - er was iets zeldzaam overtuigends aan Nietzsches denkbeelden over het tragische, Dionysische: de kunstgeworden cultus van het a-morele, vrije.

Girard bleek 'zijn' Grieken heel anders te benaderen; hij had zich een andere vraag gesteld. Waarom moet in een tragedie als de Oedipus een man die het niet kan helpen dat hij taboes geschonden heeft, met uitgestoken ogen de samenleving uitgedreven worden? Waarom moeten wij na afloop berusten in het idee dat deze uitdrijving de samenleving ten goede komt?

Te braaf

Ik wist dat ik zulke vragen altijd al onbewust gesteld had - maar als te braaf terzijde geschoven, ten gunste van een soort esthetiserend respect: Sophocles zag de wreedheid toch maar mooi onder ogen, net als Nietzsche.

Girard dwong me te erkennen dat ik na een Griekse tragedie hetzelfde deed als bij het zien van Shakespeare's koning: iemand schuldig verklaren. Natuurlijk is er iets tussen de vrouw van de koning en de vriend. Daarom is de koning zo redeloos. 'Zo moet het zijn.' Tragisch. Maar het is verschrikkelijk. Moet iemand schuldig zijn om een tragedie mogelijk te maken? Is uitdrijving en offer werkelijk de crux van het ware?

Denk door, zei Girard. Onderken dat Shakespeare, heel anders dan de Grieken, alles op alles zet om je te laten weten dat de vrouw, de zondebok van dit speciale mini-voorbeeld, nergens van te beschuldigen is. Begrijp dat ook hier een mensenoffer nodig is - maar zie dat dat, anders dan bij Sophocles, onschuldig is.

Shakespeare is zich volledig bewust van het zondebokmechanisme; hij sympathiseert niet met het offer. Hij wil dat we begrijpen dat de koning zijn crisis niet overwint met het uitdrijvende geweld van de beschuldiging.

Girard probeert (op het monomane af) te tonen hoe moeilijk het is voor mensen om zich na de beschuldiging en de 'oplossing' (uitdrijving, moord, offer) nog te herinneren of te beseffen dat het slachtoffer onschuldig was. Er moet iets fundamenteel mis zijn geweest met de zondebok, anders is de rust die na zijn dood weerkeert, verdacht. Terwijl die juist, eindelijk, heilzaam is, en een luwte wordt waarin het slachtoffer met terugwerkende kracht zelfs een goddelijke offerstatus kan krijgen..

Op dit cynische punt aangekomen komt Girard met de gedachtesprong, die hem in de ogen van modernen verdacht maakt. Er is ons, zegt hij, van lang voor Shakespeare en Dostojevski, één beschrijving van het zondebokmechanisme overgeleverd die het beschuldigend geweld wél ontmythologiseert. Het is weliswaar de beschrijving van een mensenoffer, die uit elkaar barst van de beschuldigingen - maar degene die er in gezondebokt wordt, wordt door de schrijvers consequent opgevoerd als onschuldig. Dat was, zegt Girard, nog nooit gebeurd - alleen, als je goed leest, in cruciale passages van de Thora. Pas het verhaal van de Kruisiging is de eerste echte ontmaskering geweest van het zondebokmechanisme. Het verhaal van het mensenoffer door een mimetische meute wordt hierin beschreven vanuit een werkelijk onschuldig slachtoffer; daardoor is het mogelijk geworden de ware aard van het beschuldigend geweld beetje bij beetje te onderkennen. Wat dus inhoudt dat we sinds Golgotha over een 'mythe' zijn gaan beschikken die ons in staat stelt om tegen onszelf, tegen onze offerbeluste natuur in te denken.

Girards opwindendste essays gaan over Jezus als doorschouwer en ontbinder van de mimetische begeerte. Hij heeft, in Ik zie Satan vallen als een bliksem, een onvergetelijk hoofdstuk geschreven over de eerste steen die Jezus niet werpt; of, in De Zondebok, over het unieke, 'antimythologische' van het oudtestamentische Salomonsoordeel. En wat hij in Dubbels en Demonen over de loochening van Petrus schrijft - de angst voor de mimetische meute - behoort tot het aangrijpendste wat er in onze tijd over het christendom is geschreven.

Zonder te vervallen in het defensieve jargon van de theologie 'van na de dood van God' heeft Girard de Evangelisten opnieuw in het hart van ons afgunstige, gewelddadige labyrint geplaatst. Willen we werkelijk begrijpen wat ons bezielt - wat iets anders is dan: analyseren wat of wie van onze toestand de schuld heeft - dan komen we onherroepelijk uit op de zondebok die het zondebokdenken ontmythologiseert. Girard lezen kan je de speciale Held-van-de-Geest-ervaring bezorgen: steeds hoop je dat het niet waar is, wat hij over de menselijke soort zegt - om vervolgens te hopen dat het waar is, wat hij ook zegt: dat erkenning van de waarheid het begin van verandering is.

René Girards hoofdwerken zijn in krakende vertalingen verschenen bij Pelckmans/Agora; alleen 'Ik zie Satan vallen als een bliksem' ('99, dezelfde uitgeverij, vertaling Robert Lemm), kan als vertaling worden aangeraden. Het is de bondigste inleiding tot zijn denken. Girard is een meeslepende hardop-denker, geen begenadigd stilist.

In de vorige afleveringen schreef Willem Jan Otten over Blaise Pascal en Jorge Luis Borges.

    • Willem Jan Otten