Na orkaan heeft haast geen zin meer

De voorsteden van New Orleans zijn spookachtig leeg. Zonderlingen zijn achtergebleven. Verslag van een rit naar de `Big Easy That Was'.

Als de zon opkomt en de lucht oranje kleurt, even na zes uur 's ochtends, openbaart zich op Highway 10 naar New Orleans een stilleven van kleine verwoestingen. Omgebogen lantaarnpalen. Afgebroken reclameborden. Vermorzelde eekhoorntjes.

Baton Rouge, de door vluchtelingen overspoelde hoofdstad van Louisiana, is even tevoren luidruchtig ontwaakt. Daklozen stropen de straten af. Eten hebben ze inmiddels, drinkwater ook, maar geen geld, geen vervoer. En ze weten: op de markt van de hulpverlening is stemverheffing een effectief middel. Dus vragen ze niet langer om een auto. Ze eisen hem op.

Op Highway 10 heerst nog een serene rust. De weg is leeg – leeg en lang. Eerste tekenen van serieuze schade komen een kilometer of vijftig voor New Orleans in beeld. Ondergelopen bermen, verzuipende bomen. Huisjes zonder dak. Een verdwenen motel – alleen het bord `vacancy' herinnert nog aan de dagen voor Katrina.

Politiepatrouilles worden wakker. Ze vinden het op de vroege ochtend onnodig streng te zijn. Rij maar door. In de rug nadert vanuit Baton Rouge in hoog tempo een colonne hoogwaardigheidsbekleders in limousines en SUV's, gevolgd door een schier eindeloos lint geel-oranje schoolbussen, vrachtwagens met boomstammen, en pick-up trucks die bootjes en aggregaten meevoeren. De evacuatie van de Big Easy That Was gaat een nieuwe dag in.

De voorsteden geven een indicatie van de toestand in de stad zelf. In Kenner, een kleine vijftien kilometer van New Orleans, is het spookachtig leeg. Het ruikt er naar rotte eieren. Alles oogt vervallen. Duitse herders, staart omhoog, zoeken vinnig naar een volgende prooi. Nu het water op veel plaatsen van de straten is weggespoeld, wordt zichtbaar dat bijna alle behuizing opnieuw moeten worden gebouwd. Ook de stoere hallen van amusementspaleis Paintball Planet en het Sports Centre staan op instorten.

Niet veel verderop, bij Metairie, wachten langs de snelweg honderden mensen op vervoer naar Baton Rouge. Ze hebben een ravage van kapotgetrapte waterflessen aangericht. Ploegen van Fox News en ABC houden hier al dagen de wacht. Ze missen geen detail. De orkaan heeft in Amerika de aandacht voor al het andere nieuws weggevaagd. De daklozen zijn hier niet boos. Ze hebben geduld, zegt Cyril Duchamps, 54. ,,Haast heeft sinds deze week geen zin meer.''

In Metairie zelf kun je een speld horen vallen. Honden en katten rommelen wat rond. Ook hier zijn de straten verlaten. Hoewel? Maar kijk, daar – een mens. Dakbedekker Michael Hopkins (50) staat met een radio aan zijn oor bij een overstroomde berm. ,,Hey, mán!'' grijnst hij als het bezoek uitstapt. Hij heeft een swingend loopje en zou op een podium niet van de echte Garland Jeffreys te onderscheiden zijn. Wat hij hier nog doet? ,,Nou, gewoon'', zegt hij. ,,Radio luisteren.''

Hopkins heeft de orkaan zondag door het keukenraam bekeken. De ellende kwam pas toen de dijken het twee dagen later begaven. Maar toen nog kon je in grote delen van Metairie redelijk leven, zegt hij. De paniek kwam pas toen de overheid eiste dat iedereen vertrok.

De veertien familieleden van Hopkins zijn ook met de bus naar Baton Rouge gegaan. Maar hij niet. ,,Ben je gek.'' Hulpverleners brengen hem iedere dag ijs en drinkwater en kaarsen en eten. ,,Ik heb het prima.''

Hij wijst naar zijn huis, op Andover Street. Op nummer 3034, waar Hopkins woont, zit het dak er nog gewoon op. ,,En mijn bed is alweer droog.'' Ja, ze hebben ook hem gevraagd te vertrekken. Als je alleen achterblijft, kun je ziek worden, zeiden ze, of het slachtoffer van plunderaars. ,,Typisch de regering. Die proberen je altijd bang te maken.''

Het slapen gaat slecht. Elke twee uur wordt hij vanzelf wakker. Maar over een maand, zegt Hopkins, is alles weer normaal. ,,Ik zweet het wel uit.'' Hij heeft vanmorgen de baas van de supermarkt al gebeld. De achterkant van zijn winkel is nog redelijk in orde, heeft hij gezegd, dus Hopkins wil de verkoop wel weer hervatten; dan komen andere mensen ook terug en kan de stad aan het herstel beginnen. Maar de winkelbaas heeft het aanbod afgeslagen, zegt Hopkins.

In Jefferson, nog drie kilometer van New Orleans, is het drukker. Een ziekenhuis, gevestigd in een flatgebouw, blijkt gewoon in bedrijf te zijn gebleven: de patiënten konden niet weg. Militairen houden iedereen buiten. Opgeschoten tieners fietsen rond.

Op Jefferson Street, schuin tegenover het ziekenhuis, doemt ineens een groep van een man of vijftien op. Ze verblijven in een vervallen motel. Het kwam in de jaren zeventig leeg te staan, zegt bewoner Guy Allen, 51. Ze zijn er met een soort commune ingetrokken, niemand deed er ooit moeilijk over. Ze zijn progressief, vertelt Allen, en ze houden van bier. Het is tien uur 's ochtends, het is alweer gloeiend heet, en afgaande op hun mondgeur hebben de meesten al een paar blikjes achter de kiezen.

Ze willen niet weg, en ze kunnen niet weg, zegt Allen. Hij stottert een beetje, en draagt hetzelfde montuur als naamgenoot Woody. Neem Gary hier, zegt Allen, Gary Redwood. Vorige week was Gary nog taxichauffeur. ,,Nu drijft zijn auto boven de stad.'' Waar moet hij zijn vertrek van betalen? Ze hebben van een winkelwagentje een barbecue gemaakt, en koffie jatten ze 's nachts uit het ziekenhuis, als de bewakers in slaap vallen.

De helpers zijn al driemaal gekomen: ze moeten écht weg. ,,Geef ons dan geld'', heeft Allen gezegd. Het is hier veel beter dan in Baton Rouge, zegt hij. Een moddervette vrouw springt hem bij. ,,Wij roken, zuipen en vloeken gewoon door'', zegt ze vanuit haar vervuilde kamer. ,,Katrina kan ons niet stoppen.''

Anderhalve kilometer voor New Orleans eindigt de rit. Hier staat vrijdagmiddag het water nog te hoog voor een normale personenauto. Zover het oog reikt, is vrijwel alles kapot. Mensen zijn niet te zien. Niemand.

    • Tom-Jan Meeus