Het proces van zelfmarginalisatie onder moslims moet doorbroken worden

Mohammed B. liet op zijn proces weten dat hij niet geïnteresseerd was in dialoog. Hij is daarmee een, extreem, voorbeeld van het zelfgekozen isolement waarin veel moslims verkeren. Afwijzing van de rest van de wereld zien zij als de enige uitweg uit hun onvrede.

Nu Mohammed B. voor de rest van zijn leven achter de tralies is opgesloten, rijst bij velen de vraag: hoe nu verder, nu de moslimwereld en `onze' wereld verder uit elkaar zijn gedreven dan ooit, en het extremisme als een spook door Europa waart. Als we niets doen, zullen we onherroepelijk van elkaar vervreemden, maar het probleem is dat de dialoog die we nu voeren evenmin lijkt te werken.

,,Ik erken u niet, ik erken deze rechtsgang niet.'' De kern van het dertieneneenhalve minuut durende slotbetoog van Mohammed B. vormt de ontkenning van enige verbintenis tussen `zijn' wereld en `onze' wereld. ,,Misschien erkent u mijn rechtsgang ook niet'' vormt de als het logische vervolg op de redenering gepresenteerde tegenhanger, alsof de twee vormen van rechtsgang zowel gelijkwaardig als onafhankelijk zouden zijn.

Dat is niet onmiddellijk evident. Zijn `rechtsgang' wordt hier immers niet erkend, heeft geen grondwettelijke basis en is dus geen rechtsgang. Daar staat tegenover de indruk dat Mohammed B. vooral zijn best heeft gedaan zijn handelen als consequent voor te doen stellen, dat wil zeggen als was het verbonden aan een handelingspraktijk die zowel moreel als rationeel is. Hij heeft gedaan wat hij moest doen. Hij heeft `recht' gedaan. Voor Mohammed B. is rechtspraak een in het religieuze denken gegrondveste individuele verantwoordelijkheid die met het instituut rechtspraak niets te maken heeft.

Zijn als `koel' en `kil' ontvangen betoog was schokkend, om zeker twee redenen. In de eerste plaats frustreerde hij de hoop van verschillende commentatoren een glimp te kunnen opvangen van de haat en jaloezie die verondersteld wordt aan zijn handelen ten grondslag te liggen, zodat zijn daad zou kunnen worden weggezet bij de afdeling `religieus en politiek fanatisme'. Belangrijker is echter dat het `rationele' betoog van Mohammed B. de basis vormt op grond waarvan hij `zijn rechtsgang' als superieur aan de onze kan voorstellen. `Wij' zijn immers niet vervuld van de hogere absolute geest en zullen in onze praktijken, en dus ook in onze rechtsgang, onze al te menselijke emoties laten doorklinken. Dat `wij' hem nooit zullen begrijpen, is daarmee zowel de noodzakelijke voorwaarde voor als tegelijk het bewijs van zijn gelijk.

Het voorgaande lijkt tot de conclusie te leiden dat de twee werelden niets, maar dan ook niets met elkaar te maken hebben, en dat we maar het beste onze handen van hen kunnen aftrekken. Echter, de twee werelden zijn intrinsiek met elkaar verbonden, en meer dan ooit bestaat de noodzaak van dialoog. Maar er ligt een gevaar op de loer: het geloof dat het op den duur allemaal vanzelf wel goed komt, heeft tot nu toe geleid tot wat ik de dynamiek van zelfmarginalisatie noem, en het extremisme heeft juist daar garen bij gesponnen.

In Orientalism, de beroemde studie van Edward Said over de manier waarop het Westen tegen het Oosten aankijkt, wordt duidelijk dat `wij', westerlingen, geneigd zijn mystieke, emotionele en irrationele motieven toe te schrijven aan `de ander', de Muzelman. De openingsscène van de film Lawrence of Arabia, ongeveer in dezelfde tijd gemaakt als het boek werd geschreven, geeft daarvan een prachtige illustratie: de op en top Britse held trekt samen met een lokaal hulpje door de woestijn. Ze gaan even zitten bij een bron om wat uit te rusten en een kopje thee te drinken. Uit het niets doemt een zwarte ruiter op (gezicht achter een sluier verborgen) die zonder enige waarschuwing het hulpje doodschiet. Op verontwaardigde toon roept de held: ,,Why did you do that? He was my friend!'' Het antwoord luidt: ,,Hij behoort tot een andere stam en maakte gebruik van onze bron.''

Net als bij Theo van Gogh kwam de moord als een donderslag bij heldere hemel: onbegrijpelijk en door niets gerechtvaardigd. Beschaving, vriendschap en vertrouwen staan tegenover barbaarse omgangsvormen, wantrouwen en `de wet van de natuur'. Twee onverenigbare werelden dus, met dien verstande dat de weergaven ervan beide afkomstig zijn uit het Westen, en niets met `de Oriënt' te maken hebben. Toch is ,,datgene wat voor waar wordt aangezien, waar in zijn consequenties'', luidt de in de sociale wetenschappen bekende `stelling van Thomas'. Met andere woorden: misrepresentaties en vooroordelen kunnen gevolgen hebben wanneer ze door velen worden gedeeld. Nazi-opvattingen over de `eeuwige jood' werden, hoe moeilijk ook om voor te stellen, door menig Duitser in de jaren dertig dan misschien niet van A tot Z geloofd, maar ook niet afgedaan als pathologische waanzin, en bereidden zo de Duitse geest voor op de holocaust.

Hoe met zulke vormen van indirecte en meer of minder `subtiele' vormen van marginalisatie en uitsluiting om te gaan? Ontkenning was een gangbare westerse reactie. Aantonen dat de ander niet wezenlijk verschilt van jou, dat jouw voorstellingen vals zijn, gebaseerd op angst of wantrouwen. In het multiculturele tijdperk, waarop nu met zoveel minachting wordt teruggekeken, probeerden wijzelf vaak onze eigen misrepresentaties aan de kaak te stellen. Maar om de een of andere reden lukte dat niet. Misschien omdat het nog steeds om een projectie van onze eigen voorstelling op de ander ging. In het multiculturele tijdperk werd veel gediscussieerd, maar niet door allochtonen.

De partij die wordt afgewezen en uitgesloten reageerde op een heel andere manier, namelijk door zelfmarginalisatie. Zij greep de afwijzing aan en bouwde daarop haar identiteit: ik hoor niet bij deze groep.

De kalme, bedachtzame toon van Mohammed B. is een bewuste provocatie van de als typisch `Nederlands' ervaren rechtsgang. Men let op de opening: `Wouw'. Het is een bespotting van al hetgeen voorafging, samengebald in een uitdrukking die een ironische omkering is van wat dat woord meestal inhoudt (bewondering). Maar juist daarin ligt de erkenning van Mohammed B. van deze rechtsgang: hij heeft haar nodig om er zijn identiteit aan te ontlenen.

Voor de dominante partij gaat het om het bewaken van de grenzen van haar bestaan. Wie die overschrijdt, krijgt te maken met de wet. En omgekeerd, wie erbij wil horen, hem of haar wordt een halt toegeroepen. De nieuwkomer staat een traject van aanpassing te wachten dat makkelijk als afwijzend, soms zelfs als vernederend kan worden ervaren.

De gemarginaliseerde partij zoekt kracht in de afwijzing. Anderzijds kan zij ook inhoudelijk uit het repertoire van normen, waarden en gedragingen van de dominante partij putten om haar eigen identiteit vorm te geven. Precies doen wat `zij' niet zouden doen, of krachtig als `anders' definiëren wat `zij' als kernwaarde aanwijzen. Zelfmarginalisatie schurkt dicht tegen marginalisatie aan. De massale schooluitval onder sommige allochtone groepen is bijvoorbeeld enerzijds het gevolg van een vorm van een zekere (ongewilde) uitsluiting van de ene cultuur door de andere, maar anderzijds ook een keuze: er niet bij willen horen.

Moslimextremisme in het bijzonder, maar in feite alle vormen van extremisme varen wel bij uitsluiting. Terreurdaden zoals die van Mohammed B., maar ook de aanslagen in Londen, New York, Madrid, Istanbul en elders ter wereld, beogen en bereiken maar één ding: het uit elkaar drijven van `wij' en `zij'. Alle verscherpte politiecontroles, strengere wetgeving en verdergaande vormen van controle en toezicht die volgen op terreurdaden, ergeren `ons' maar richten zich tegen `hen', en die marginalisatie lijkt de extremist, paradoxaal genoeg, in de kaart te spelen want `zij' worden steeds verder op zichzelf teruggeworpen.

Mohammed B. representeert dan wel een uitzondering, dat wil zeggen dat hij een `extremist' is die tot handeling is overgegaan, maar zijn positie is niet uitzonderlijk. Voor veel allochtone jongeren geldt dat zij in een zelfmarginaliseringsspiraal terecht zijn gekomen en dat zij hun bestaansrecht in toenemende mate ontlenen aan het feit dat zij er niet bij horen, er niet bij mogen horen en er niet bij willen horen.

De ironie is dat het voor de marginaal veel moeilijker is om uit die negatieve wisselwerking te stappen dan voor de dominante partij, omdat het voor de marginaal een onmiddellijk verlies aan identiteit oplevert. Marginalisatie treft de persoon als individu, omdat het zijn kern, zijn fundamentele bestaanszekerheid aantast. Het extremisme geeft daarop een antwoord, doordat het de zekerheid biedt van de ultieme overwinning, bij voorkeur in de zelfopoffering. Maar het is geen oplossing.

Het probleem waarvoor we ons nu gesteld zien, is de vraag of er überhaupt nog een dialoog moet zijn, en zo ja, wat voor een. Voor Mohammed B. is alleen de eerste vraag interessant en zijn antwoord luidt: nee, totale isolatie. Alle dialoog wordt gemeden. Dat stond met zoveel woorden ook al in de brief die op het lichaam van Van Gogh werd aangetroffen: ,,Geen discussie, geen demonstraties, geen optochten, geen petities.'' Een onmogelijk positie, want de consequentie is: verdergaande zelfmarginalisatie.

Wanneer we doorgaan op dezelfde weg en dialoog vermijden, zal verdergaande radicalisering het gevolg zijn. Toch is dialoog niet vanzelfsprekend en ook niet zonder problemen. In het Westen wordt nog steeds vaak op een oriëntalistische wijze tegen de moslimcultuur aangekeken, als een oude en traditionele cultuur die zich heeft aan te passen aan de moderne Westerse samenleving. Omgekeerd denken moslimjongeren vaak dat `Hollanders' een immoreel en stuurloos leven leiden waar zij ver boven staan.

Iedere multiculturele staat die zichzelf serieus wil nemen, moet een dialoog op de agenda kunnen zetten tussen de verschillende partijen die elkaars tradities erkennen; niet als onveranderlijke, onbenaderbare grootheden, maar als input in een continu proces van verandering en transformatie. In de praktijk betekent dat dat we moeten zoeken naar manieren om specifieke onderwerpen waarover conflict bestaat boven water te krijgen en te bespreken: veiligheid in het publieke domein, geweld, opvoeding en onderwijs, etc. Tegelijkertijd moet duidelijk zijn dat onderhandeling daarover verloopt volgens de regels die in een democratie worden gebruikt, maar niet dat de uitkomst ervan bij voorbaat vastgesteld kan worden. Dat impliceert een vorm van onzekerheid die echter verre is te prefereren boven de schijnzekerheid van een van tevoren vastgesteld eenzijdig inburgeringstraject dat tot zelfmarginalisatie leidt, maar ook boven de vrijblijvende hoop uit het voorbije multiculturele tijdperk waarin tradities, overtuigingen en conventies tussen haakje zijn gezet, in de hoop dat er een spontane verbroedering zou ontstaan tussen `oud' en `nieuw'. Als er één ding duidelijk is geworden, is het dat we ons noch het een noch het ander meer kunnen veroorloven.

Docent-onderzoeker Algemene Sociale Wetenschappen aan de universiteit van Utrecht.

(Met dank aan Mariëtte de Haan)

    • Jaap Bos