HET GEZICHT VAN DE ARMOEDE

Hoe is het om te leven zonder bed, zonder waterdicht huis, zonder de zekerheid van dagelijks brood?

Van deur tot deur in Dickson in Malawi, alleen bereikbaar via zandpaden, onzichtbaar voor de wereld. Waar elke vrouw haar dode kinderen bij de levende telt. En waar al dertig jaar niemand is ontsnapt naar de stad.

Portret van een Afrikaans dorp aan de vooravond van een Speciale Top van de Verenigde Naties over armoede.

Hier draagt niemand een bril. Niet de 9-jarige Jona voor wie de letters in het schoolboek steeds te klein zijn. Niet het dorpshoofd dat toch niet kan lezen. Niet de dansende oude vrouw die de wereld door een waas van tranen ziet. Waar zouden ze een bril moeten halen? In de slaperige hoofdstad waar maar acht van de dorpelingen ooit geweest zijn. Wie betaalt dat als er niet eens geld is voor zout of zeep?

Hier draagt niemand een bril. De snelle zonnebril die Aron Thunde 's zondags op zijn neus zet, mag je niet meetellen.

Die laat alleen maar zien dat zijn verlangen naar de stad nog niet gestild is, al werd hij na zijn middelbare school niet toegelaten tot de opleiding voor leraar. Al heeft hij zijn vader beloofd dan maar 'een goeie boer' te worden. Vlak voordat hij trouwde, heeft hij van de opbrengst van de tabaksoogst nog een tafel en stoelen gekocht. Daarmee bevredigde hij 'een diep verlangen'. Maar dorpelingen verlangen niet naar goederen die ze kunnen missen. Wacht maar tot die hoogzwangere vrouw van Aron het ene na het andere kind werpt. Dan is hij al blij als hij zijn gezin het hele jaar kan voeden. Hier draagt niemand een bril.

Schrijf op: ruim 2,7 miljard mensen leven van minder dan twee dollar per dag; 1,1 miljard mensen leven van minder dan een dollar per dag. (UNDP, Wereldbank)

Het dorp moest aan een aantal eisen voldoen. Het mocht niet in oorlogsgebied liggen. Het mocht niet door een vloedgolf of andere ramp zijn getroffen. Ik was niet uit op crisis en extreme situaties. Mij ging het om het bestaan dat 'normaal' is voor bijna de helft van de wereldbevolking. De alledaagse armoede. Het leven dat een chronische strijd is. Niet plotseling, niet eenmalig. Aanhoudend.

Als buitenlandredacteur, gericht op Afrika, kon ik nooit om armoede heen. Maar altijd hield ik het idee dat ik alleen maar aan de buitenkant raakte. Ik hoorde de armen rochelen achter hun bordkartonnen muurtjes. Ik zag de rode gloed van ondervoeding die over hun haren hing. En ik verbaasde me erover hoe schoon ze hun hopeloos versleten kleren hielden, zonder wasmachine, te midden van het vuil. Ik verwonderde me erover hoe gedreven en vasthoudend ze er in de meest barre omstandigheden naar streefden hun leven een schijn van normaliteit te geven. Hoe doen ze dat? Dat wil ik weten, niet ongeveer, heel precies. In een van die dorpen waar tweederde van de allerarmsten leeft, daar wil ik wonen.

Schrijf op: Afrika is het enige continent waar extreme armoede nog steeds toeneemt. Het aantal Afrikanen dat van minder dan een dollar per dag moet rondkomen, is de afgelopen kwart eeuw verdubbeld tot 345 miljoen. (UNDP)

In dit dorp belandt niemand bij toeval. Buitenstaanders hebben hier niks te zoeken. Je komt er alleen via een wirwar van zandwegen die allemaal op elkaar lijken. De dichtstbijzijnde asfaltweg loopt 35 kilometer verderop.

Onderweg passeer je tientallen dorpen. Dat vertelt de bestuurder, maar nergens zie je huizen. Dorpen gaan schuil achter het hoge gras. Mensen die hier wonen, zijn aan het zicht onttrokken. Wie zegt dat ze bestaan?

De hoofdstad Lilongwe ligt vlakbij, niet meer dan 73 kilometer verderop. Wie weet daar van dit dorp? Wie maalt erom, in die overheidsburelen? De staat reikt niet tot dit dorp. Zelfs de politie uit de naburige handelspost Kasiya komt hier alleen als dorpelingen de benzine voor het transport betalen. Dus nooit. Van de overheid heeft dit dorp niets te verwachten. 'The People's Choice' staat er op het betonnen fundament van de dorpspomp. Door de dorpelingen zelf aangelegd, elk onderdeel betaald door het dorp. Dit dorp is aangewezen op zichzelf.

Schrijf op: Zestig procent van de dorpen in Malawi ligt op meer dan twee kilometer lopen van de dichtstbijzijnde weg voor gemotoriseerd verkeer. Negentien procent van de dorpen ligt op meer dan tien kilometer. (Jeffrey D. Sachs, The End of Poverty: Economic Possibilities for our Time)

Ik ben hier eerder geweest. Ik ben hier eerder geweest toen er hongersnood heerste, drie jaar geleden. Vrouwen lieten me zien hoe ze de lap om hun lendenen steeds verder aantrokken. Mannen toonden me de verse graven in het bos waar de voorouders huizen. Negentien volwassenen en drie kinderen waren er destijds gestorven. Binnen twee maanden. In een dorp van 45 huishoudens, een kleine 300 mensen.

Ook toen kwam ik hier in het gezelschap van de Nederlandse witte pater Willem Kerkhof en de Malawiaanse pastoraal werker Epifano Chifumbi. Ze kennen de pater en Chifumbi in dit dorp. De pater leest misschien één keer per jaar de mis in de kerk op de heuvel. Chifumbi is hier het gezicht van de katholieke kerk. Zoals in al die andere dorpen waar hij de gelovigen per fiets bezoekt.

De pater heeft de weg gebaand voor het verblijf van fotograaf Jan Banning, Chifumbi en mij. Jan Banning zal anderhalve week blijven, Chifumbi en ik tweeëneenhalve week. Het dorp stelt zich open omdat ik hier eerder ben geweest. Omdat ik het dorp niet ben vergeten. Ook mijn voornaam werkt in mijn voordeel: Dick keert terug naar Dickson. Chifumbi zal me de komende weken tegenover dorpelingen altijd 'Dickson' noemen. Zo val ik samen met het dorp.

Schrijf op: 76,1 procent van de mensen in Malawi leeft van minder dan twee dollar per dag, 41,7 procent van minder dan één dollar per dag. (UNDP)

Behalve de pater komt niemand hier per auto. Auto's zijn veel te breed voor de smalle paadjes die naar de akkers en andere dorpen leiden. Dorpelingen hebben geen auto's, geen motoren of brommers. In Dickson heeft zelfs niemand een ossenkar om een zak maïs, een baal tabak of een dode te vervoeren. Elf van de 45 huishoudens beschikken over een fiets, met versterkte bagagedrager voor de zware lasten. Hun grootste bezit.

Dorpelingen lopen. Kinderen hollen de drieëneenhalve kilometer naar de basisschool van Kasonjola. Vaders dragen hun zieke kinderen naar de gezondheidspost van Kasiya, vier kilometer verder. En moeders lopen naar handelspost Kasiya om paraffine of zeep te kopen.

Het dorp houdt zijn bewoners vast als een moeras. Twee dorpelingen dromen van een kruidenierszaak in Kasiya. Meneer Thunde's zoon Alfred zit in Lilongwe op de technische school. Maar zelfs de enkelingen die hun middelbare school voltooiden, vonden in de stad geen werk. Dorpelingen hebben geen geld en connecties. De afgelopen dertig jaar heeft geen enkele inwoner van Dickson de sprong gehaald naar de stad.

Schrijf op: Vijfentachtig procent van de 11,2 miljoen Malawianen is boer en leeft dus op het platteland. (UNDP)

'Ik wil de mensen in mijn land vertellen over het leven in een dorp als Dickson. Ik kom hier om te leren. Ik hoop dat het dorp daar uiteindelijk wel bij vaart.' Dat zeg ik in mijn welkomsttoespraak tot het dorp. Vrouwen zitten in het zand dat al warm is van de zon. Mannen schuilen in de schaduw van 'ons' huis.

Ik zeg het heel voorzichtig. Ik wil geen verwachtingen wekken. Ik ben alleen de boodschapper. Geen hulpverlener. Geen campagnevoerder.

We wonen als de dorpelingen. We wonen in een rechthoekig lemen huis, vlak naast de pomp. Dak en raampje van gras en stro. Net als de andere huishoudens hebben we een badkamer bij het huis: een vierkante rieten omheining met een opening. Mijn schedel steekt er bovenuit. In het midden liggen stenen waarop we kunnen staan bij het wassen. Zoals de andere huishoudens hebben we ook een eigen latrine: weer zo'n rieten omheining rond een gat in de grond.

Ons tijdelijke huis meet niet meer dan tweeëneenhalf bij drie meter en heeft twee vertrekken. Binnen is het ook overdag aardedonker.

We doen alsof we wonen als de dorpelingen. Maar dorpelingen liggen niet in veldbedden om aan het gekrioel op de vloer te ontsnappen, zoals de fotograaf en ik. Dorpelingen slapen zoals Chifumbi naast me: op een rieten mat op de grond, in een lap of dunne deken gewikkeld om zich te beschermen tegen bijtgrage mieren en kou. Dorpelingen hebben ook geen vitaminerijke tarwekoeken bij zich om te eten als ontbijt. Ze doen niet aan ontbijt. Ze drinken ook geen schoon water uit verzegelde flessen.

's Ochtends en 's middag koken twee volwassen, ongetrouwde dochters genoeg water om een plastic teil te vullen, zodat we ons kunnen wassen. Ze doen dat in een ronde lemen keuken bij een naburig huis. Van het maïsmeel dat we hebben meegebracht, bereiden ze twee keer per dag de plakkerige deegballen die hier hart en fundament van elke goede maaltijd vormen: nsima. Aangevuld met saus van groenten die we kopen van een dorpeling. Eén keer in de week verschalken we een scharminkel van een scharrelkip uit het dorp. Sober, maar niet zo sober als de dorpelingen. De meesten eten alleen vlees als het Kerst of Pasen is.

We wonen hier even, maar we zijn geen dorpelingen. Wij gaan hier weer weg.

Schrijf op: Het jaarlijks inkomen per hoofd van de bevolking is in Malawi 150 dollar, In Nederland 23.860 dollar.

De levensverwachting in Malawi is 37,8 jaar, in Nederland 78,3 jaar. (The Economist)

Ze bouwen een huis en nog voordat het dak erop staat, brokkelen de muren af, ontstaan er putjes in de vloeren. Vier van de woningen in het dorp zijn opgetrokken uit baksteen, waaronder het huis van het dorpshoofd. Die kunnen wel tegen een stootje. Zelfs de zwaarste januariregen dringt niet door die muren heen.

Maar al die andere huizen zijn gemaakt van aarden stenen. Aarde, vermengd met water, in een houten mal geperst, dagenlang gedroogd door de zon. Stenen als sponsen.

Die stenen moeten met een grijze laag leem tegen de regens worden beschermd. Elk jaar weer in september of oktober, ruim voor het regenseizoen, brengen de dorpelingen nieuwe lagen aan. En dan nog wast het water het leem soms van de huizen. Elk jaar storten in het regenseizoen weer huizen in.

In juni snijden de dorpelingen al de manshoge grasstengels voor het onderhoud van de daken. In het najaar bedekken ze weer met zorg de daken, maar de eerste storm brengt ook weer de eerste schade. In het regenseizoen lekt het in de meeste huizen.

Raak een muur aan en een brokje leem klettert op de grond. Veeg met je voet over de vloer en er ontstaat een hoopje gruis. Eigenlijk moet de vloer wekelijks worden 'geboend' met een nieuw laagje van de vettige leem uit de 'dimbo'. Dat is het land waar in het regenseizoen de rivier loopt en waar ook in het droge seizoen nog altijd water staat. Binnen drie dagen boren de mieren alweer de eerste gaatjes door de boenlaag.

Het verval van de huizen is voor de dorpelingen niet bij te benen. Zo is het ook met hun bestaan. Wat ze ook ondernemen, hoe ze ook hun best doen, ze bouwen niks op.

Schrijf op: Meer dan een op de drie Afrikanen lijdt honger; 824 miljoen mensen lijden honger, van wie 228 miljoen in Afrika. Nog eens twee miljard mensen kampen met een tekort aan vitaminen en mineralen waardoor ze achterblijven in hun lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. (UNDP)

Dit is de oogstperiode, april, mei, juni. Dit zouden de maanden van overvloed moeten zijn. Mannen zouden de gedroogde maïskolven in bergen van het land moeten halen. Vrouwen zouden bij de bereiding van nsima niet op maïsmeel moeten kijken. De ronde graanschuren van gras en gebogen twijgen naast hun hutten zouden tot barstens toe vol moeten zijn.

Maar ook de boeren met de meeste grond hebben al hun maïs al binnen. Zelfs drie jaar geleden, vóór de hongersnood, is de oogst niet zo slecht geweest. Vier van de huishoudens begonnen al aan de maïs toen die nog groen was, omdat ze niks te eten hadden. Twaalf huishoudens hebben geen maïs geoogst. De regens hielden op voordat de gewassen tot volle groei konden komen. Op hun akker staat het gras hoger dan de dorre staken maïs.

Nog eens 26 huishoudens hebben minder dan 200 kilo maïs van het land gehaald. Een gezin met twee kinderen heeft maandelijks zeker 50 kilo maïs nodig. Zeventig procent van hun kilocalorieën halen de dorpelingen uit hun maïsbrij. Pas volgend jaar april is de volgende oogst.

Drie families weten dat ze dit jaar niet voor honger hoeven vrezen. Drie van de 45. Als de man niet sterft. Als er geen dieven komen. Als de maïs niet door ongedierte opgevreten wordt.

Schrijf op: Door verminderde bodemvruchtbaarheid is de voedselproductie in Malawi de laatste 25 jaar met 23 procent gedaald, ondanks de sterk groeiende bevolking. (FAO)

Het dorpshoofd heeft hem aangewezen als de rijkste van het dorp. Dat zeg ik hem niet. Hij zou het tegenspreken, met zijn breedste grijns.

Wat is rijk in dit dorp? In dit dorp heeft geen enkel huis een dak van golfplaat. Geen familie heeft een koe. Symbolen van welstand die ik in omliggende dorpen wel heb gezien.

Zijn huis van drieëneenhalf bij vier meter onderscheidt zich in niets van de andere huizen. Wel heeft het meer bijgebouwen. Een gevulde graanschuur met maïs voor het hele jaar. Een rieten ruimte om tabak te drogen en nog een andere voor opslag van tabak. Hij heeft in elk geval tabak geoogst, vijf balen, ruim 500 kilo, meer dan wie ook in het dorp. Hij heeft ook vee: een varken, een geit, zes eenden, zeven kippen. Hij bezit een fiets.

Binnen is zijn huis net zo kaal als andere huizen. In een stikdonkere slaapkamer staat een slaapmat tegen de muur. Dekens en kleren hangen over een touw dat van de ene hoek naar de andere is gespannen. Om ze tegen ongedierte te beschermen. Meer kleren dan in andere huizen. De kleuren zijn minder verwassen. In een hoek liggen een fietspomp en een reserveband.

In de woonkamer heeft Hammard een zitmat voor me uitgerold. De toegang tot de slaapkamer wordt bedekt door een kleurige lap, de enige versiering. Aan spijkers in de muur hangen mokken in een plastic zak, een paar schoenen en een stropdas. Later zie ik dat Hammard die stropdas 's zondags als dirigent van het kerkkoor met grote waardigheid draagt.

Hammard Andsen verschilt van de meeste andere mannen in het dorp, omdat hij nog jong is: 27. Omdat hij maar voor twee kleine kinderen en een broer van zestien hoeft te zorgen. Omdat hij de middelbare school heeft voltooid. 'Onderwijs is de sleutel voor wie wil overleven', zegt Hammard ernstig. Dat hij een begeerde opleidingsplaats als leraar niet kon krijgen, doet daar niks aan af. 'In Malawi gaan we niet naar school voor banen. Die zijn er toch te weinig. Ik weet ten minste hoe ik verlies en winst moet bepalen. Veel boeren kunnen dat niet.'

Hij rekent voor hoeveel hij het afgelopen jaar in de tabaksteelt heeft geïnvesteerd. Kunstmest, betaling van dagloners, tabakspers, transport per ossenkar, vergunning. Zeker 26.000 kwacha. En hoeveel hoopt hij dat zijn tabak oplevert op de veiling? Met 50.000 kwacha zou hij heel tevreden zijn. Dan heeft hij 24.000 kwacha, een kleine 170 euro, verdiend.

Ooit hoopt hij een kruidenierswinkel in Kasiya te beginnen. 'Want met boeren valt niks te verdienen. Het bestaan als boer wordt steeds maar moeilijker.' Om in zaken te gaan, heeft hij startkapitaal nodig van ten minste 100.000 kwacha, minder dan 700 euro. Misschien over twee jaar.

Intussen zou hij graag een schriftelijke cursus volgen aan het Cambridge International College om zich optimaal voor te bereiden. Tussen muur en dak heeft hij een plastic zak verstopt met documenten. Daaruit diept hij een folder op over business, economics and commerce. Tweehonderd dollar cursusgeld voor zes maanden. Zijn ogen glinsteren. Hij vraagt niks. Maar de boodschap is duidelijk: ook de rijkste man van Dickson zit verlegen om hulp.

Schrijf op: Een Malawiaanse boer krijgt 0,17 dollarcent per kilo tabak, een Amerikaanse boer 4,15 dollar dankzij subsidie van de Amerikaanse overheid. (USAID)

Als kinderen uit Dickson leren lezen, leren schrijven, leren rekenen, is dat niet minder dan een wonder. Aan de negen onderwijzers van de lagere school van Kasonjola ligt het niet. Ze doen wat ze kunnen voor de 635 leerlingen. In één klas zitten 101 leerlingen. De tweede klas heeft geen lokaal en strijkt neer in het zand onder een boom.

Naar de lagere school gaan in Malawi is sinds acht jaar gratis. Ouders moeten jaarlijks wel 150 kwacha per leerling betalen, ruim een euro. Voor het onderhoud van de school, voor een voetbal, voor de paraffine van de lampen als de leerlingen van de hoogste klas 's avonds worden klaargestoomd voor het nationaal examen. Honderdvijftig kwacha is voor veel dorpelingen al te veel. Ze hebben delen van het jaar niet eens geld om een pen voor hun kind te kopen. Daarom schrijven zoveel kinderen van de tweede klas met een vinger de sommen in het zand.

De juf deelt boeken uit voor Engels. Zeven kinderen in een kring moeten doen met één boek. De juf leest voor. De kinderen zeggen haar na. De juf leest voor. De kinderen zeggen haar na. Tot sommigen de tekst uit het hoofd kennen. Met leren lezen heeft dit niks te maken. Hoe zouden de leerlingen ook kunnen lezen die het boek van opzij of ondersteboven zien?

In elk groepje is wel één kind dat het boek voor zijn neus legt, dat met zijn vinger de woorden probeert te volgen, dat niet afdwaalt. Dat zijn de kinderen die misschien ooit echt leren lezen. Wie dat lukt, levert een wereldprestatie. Daarvoor is slimheid en grote volharding vereist.

Zeker de helft van de leerlingen haakt af, schat de directeur van de school van Kasanjola. Het verzuim is hoog. Zeker in de maanden dat er geen maïs is in de huizen. Dan zijn de klassen bijna leeg. Tijdens de hongersnood van drie jaar geleden zijn zeven van de leerlingen gestorven: vier jongens, drie meisjes.

Schrijf op: Het niveau van het onderwijs in Malawi is onaanvaardbaar laag. Bijna 39 procent van de bevolking is analfabeet. (World Bank Country Status Report)

Achter het altaar in de kerk op de heuvel, buiten het dorp, vangt de jongen het licht in zijn handen. De lichtbal die door een gat in het dak valt, hij gooit ermee.

Hij tilt een pijp van zijn korte broek op, zodat de zon op zijn dij schijnt. Snel slaat hij de pijp terug. Hij kan het licht niet vangen.

Buiten is het licht in het dorp. De opkomende zon trekt lange schaduwen van de vrouwen die het erf vegen. Met de hak in de nek trekken mannen naar de zon.

Rusteloos werkt het dorp zolang het licht is. De man verbouwt als bezeten zoete aardappelen en cassave in de dimba, de laaggelegen veldjes bij het water. Met de moed der wanhoop trekt hij erop uit voor los werk.

De vrouw put het water, zij sprokkelt brandhout, zij kookt het eten. Zij droogt de bladeren van de pompoenen, zodat je ze lang kan bewaren. Zij oogst de pinda's die rijk zijn aan vitaminen. Zij mengt de zoete aardappelen met as, zodat je ze onder de grond kunt bewaren.

Het is nooit lang licht in het dorp. Om zes uur valt het duister. Gedempte stemmen verstommen snel. In een enkel huis brandt kort een lamp.

Binnen is het donker. Binnen ?akkert de paniek in de ogen. Binnen smeult de moedeloosheid. 'Ik geloof niet dat we er volgend jaar allemaal nog zijn.'

Schrijf op: 14 procent van de geslachtsrijpe Malawianen is met het aids-virus besmet. Dat zijn één miljoen mensen op een bevolking van 11,2 miljoen mensen. (UNAIDS)

Ongewoon, on-Afrikaans, onvoorstelbaar is het hoe de fotograaf, Chifumbi en ik in het dorp te werk gaan. In een Afrikaans dorp praat je buiten met mensen. Elke buurman, elke voorbijganger geeft zijn mening. Elk gesprek wordt een groepsgesprek. Je richt je als man tot de mannen. En je stelt nooit directe vragen, je informeert omtrekkend en omzichtig. Afrika-veteraan correspondent Koert Lindijer had het me zo op het hart gedrukt.

Ik tart alle regels. Alle 45 huishoudens van het dorp bezoek ik. Om dit dorp te leren kennen, niet bij benadering maar tot in detail, mag ik geen huishouden overslaan. Spreken doe ik binnen. Meestal met de vrouw.

Op de uitgebreide begroetingsfrasen, in Chechewa, die ik pas na twee weken min of meer onder de knie heb, bezuinig ik nooit. In elk huis opnieuw stel ik me voor. In elk huis herhaal ik dat ik ben teruggekeerd naar Dickson om te leren hoe de mensen leven in het dorp. Ook daarna blijf ik in houding en toon respectvol. Ik negeer de mieren die mijn benen langzaam bedekken. Als het altijd nieuwsgierige dorpshoofd op de stoep probeert mee te luisteren, of als er buren in de deuropening verschijnen, vraag ik ze beleefd om weg te gaan. Alles wil ik weten en alles wil ik zien. Hoeveel paar kleren hangen er in de slaapkamer? Wat voor documenten zitten er in de plastic zak die aan een spijker hangt? Waarom heeft je man je in de steek gelaten? Word je door andere mannen benaderd? Als er straks geen voedsel meer in huis is, kun je dan nog 'nee' blijven zeggen? Soms overleg ik met Chifumbi of ik een bepaalde vraag wel kan stellen. Chifumbi is geweldig als vertaler, onuitputtelijke informatiebron en kameraad. Als Afrikaan zou hij zo'n vraag niet kunnen stellen. Dat kan alleen een buitenstaander doen die vertrouwen geniet. Chifumbi raadt soms aan de vraag iets anders te verwoorden. Meestal zegt hij: 'Je wilt toch leren? Je wilt toch alles weten? Dan moet je dit vragen.' Ik vraag elke naam, elke leeftijd, elke doodsoorzaak van elk kind dat overleden is.

Schrijf op: 25 procent van de kinderen onder vijf jaar is in Malawi ondervoed, 49 procent is te klein voor zijn leeftijd. (UNDP)

In Dickson dreigt weer honger. Net zoals drie jaar geleden ontstond het voedseltekort door wisselvallig weer én wanbeleid. Drie jaar geleden ontkende president Bakili Muluzi de hongersnood tot de eerste lijken op de bbc verschenen. De regering had net de hele nationale graanreserve verkocht: 167.000 ton. Dat was de reserve die de hongersnood had moeten voorkomen. Welke politici geld hebben verdiend aan die verkoop, wordt nog steeds onderzocht. Naar schatting 40.000 Malawianen stierven de hongerdood.

Dit jaar blijft de maïsoogst met 1,3 miljoen ton nog zeker 15 procent achter bij het vorige dieptepunt van drie jaar terug. Twee miljoen ton is nodig om heel het volk te voeden.

Ook dit keer heeft de regering de hongersnood zelf gezaaid. Vorig jaar juni, kort na zijn verkiezing, had de nieuwe president Bingu wa Mutharika beloofd dat kunstmest gesubsidieerd zou worden. Handelaren wachtten met inkopen, boeren met kopen. Eind oktober werd duidelijk dat geen enkel donorland een subsidie op kunstmest wilde financieren. Bij het begin van het plantseizoen in november was maar eenderde van de gebruikelijke hoeveelheid kunstmest geïmporteerd. De hoge prijzen waren voor de meeste boeren onbetaalbaar. Als de kunstmest al te krijgen was.

De uitgeputte landbouwgrond in Malawi is verslaafd aan kunstmest. Vraag de dorpelingen wat ze nodig hebben om gelukkig te zijn en niemand zegt: geld. Ze zeggen: 'feteleza'. Het Chechewa-woord voor 'fertilizer', kunstmest. Zonder kunstmest kun je van de opbrengst van het land niet leven. Het lapje grond waarvan een huishouden in Dickson moet bestaan, is gemiddeld toch al niet groter dan een hectare. Sommige families hebben nog geen halve hectare. Lapjes worden kleiner met elke generatie. Grond wordt over de kinderen verdeeld.

Zonder kunstmest blijft de maïsoogst mager. Zonder kunstmest maakt het telen van tabak geen kans. En wie geen geld met tabak verdient, heeft geen geld om extra maïs te kopen. Het hele verdere jaar is elke dag erop gericht de honger voor te blijven.

Sommige dorpelingen hebben de race nu al verloren. Ze hebben geen voorraad aan maïs of andere reserves. Geen kip om te verkopen. Geen fiets om te verpatsen. In het plantseizoen dit najaar zullen zij nog steeds de wijde omgeving afstruinen op zoek naar los werk, dat steeds schaarser wordt, steeds schaarser, en dat ook steeds slechter wordt beloond. Hun eigen akkers zullen ze verwaarlozen door die dagelijkse jacht op voedsel. Daarmee leggen ze alweer de kiem voor de wedloop tegen de honger van volgend jaar. Dat weten ze. Ze hebben geen keus.

Honger hoort bij het leven van de dorpelingen.

In de maanden die bekendstaan als de 'magere maanden', januari, februari, maart, eet niemand in het dorp twee keer nsima per dag. En vrijwel niemand haalt de 2.100 kilocalorieën per dag die de Wereldgezondheidsorganisatie als absoluut minimum beschouwt. Alle huishoudens zijn vatbaarder voor ziekte door ondervoeding. Maar verhongeren, dat doen alleen de allerarmsten, de allerzwaksten. Zij die de wortels van bananenplanten uitgraven, pletten, drogen, malen en eindeloos koken tot een smerige pap. Zij die het zaagsel van bomen mengen met het kaf van maïs. Zij die op een ochtend niet meer opstaan van hun mat.

Schrijf op: De prijs van kunstmest in Malawi ligt vier tot zes keer zo hoog als op de wereldmarkt. (Jeffrey D. Sachs, The End of Poverty: Economic Possibilities for our Time)

Anderson Isimu (65) is de armste man van het dorp. Ooit was hij de rijkste. Hij repareerde motoren van auto's, hij repareerde motoren van maïsmalerijen. Zelf bezat hij ook een malerij. Eén onderdeel van de malerij doet nog dienst als zitplaats voor zijn kleine huis. Hij had ook een auto. Hij is de enige in Dickson die het ooit zo ver geschopt heeft. Een velg ligt achter de kapotte schutting om zijn wasplaats. Daar kan hij op zitten als hij zich baadt.

Hij was zakenman. Hij kocht de maïs als er net geoogst was. Hij verkocht zodra er een tekort ontstond. Vissen uit Lake Malawi verhandelde hij in Zambia. De armsten van het dorp konden altijd een beroep op hem doen. Als ze geen geld hadden, maalde hij gratis. Als er een stierf, zorgde hij voor een doodskist.

Hij had al langer last van helse pijnen. In 1973 kreeg hij te horen dat hij lepra had. Melaatsheid kwam toen in Malawi al weinig meer voor. Misschien was hij wel een van de laatste lepralijders van zijn land. Na een jaar werd hij uit het ziekenhuis ontslagen. Zijn voeten hadden ze niet kunnen redden. Het zijn klompen, hoeven, waarop niet valt te lopen. Zijn handen zijn vergroeid tot klauwen.

Intussen waren zijn meeste bezittingen vernield of gestolen. Zijn vrouw Yosofina (58) bewerkt sindsdien de akkers. Een dochter die in het dorp woont, kookt hun eten. Een zoon, honderd meter verderop, geeft soms geld voor zeep.

Zijn dochter leent hem ook haar radio die hij 'mijn beste vriend' noemt. Het liefst hoort hij de gebeden en gezangen van de katholieke zender radio Maria. Als hij even niet luistert, haalt hij de batterijen uit de radio. Om te voorkomen dat ze lekken.

Zelden komt er iemand langs voor een praatje. Soms rijdt iemand hem per fiets naar de kerk. Dat moet hij dan wel tevoren weten, want hij wil alleen in schoon goed voor de Heer verschijnen. De tot op de draad versleten kleren die hij draagt, zijn de enige die hij bezit. Als ze worden gewassen, blijft hij noodgedwongen de hele dag in huis.

De oude man moet soms huilen, zegt hij, als er geen maïs is in huis en zijn vrouw 'op zoek gaat naar voedsel'. Terwijl hij niks kan doen. Zijn vrouw is een schim. Hoe moet zij voor voedsel zorgen? Ze heeft de droefste ogen van het dorp.

Ook zij moet soms huilen. Als ze thuiskomt, en hij heeft daar maar de hele dag gezeten, zonder water, zonder eten, in zijn eentje. 'Hij klaagt nooit', zegt ze met een ijle stem. Dan voedt ze hem. 'Zoals je een dier voedt. Terwijl hij toch een mens is.'

Soms denkt ze dat het een straf van God is. Soms wil ze hem verlaten. 'Dat zal ik nooit doen. Ik herinner me de jaren dat hij voor mij heeft gezorgd. Ik blijf tot het einde.'

Hij laat zien hoe ze 's nachts slapen. De piepkleine woonruimte gebruiken ze als vuurplaats. Het vuur houdt hen de eerste uren warm. Ze hebben geen slaapmat. Hij trekt een dunne juten zak over zijn benen. Hij legt een juten zak over zijn romp. Hij trekt een juten zak over zijn hoofd. Zijn vrouw kijkt de andere kant op, omdat ze zich schaamt.

Bij Afrika denken mensen nooit aan kou. 's Nachts daalt de temperatuur hier tot vijf graden. Verkleumd worden de oude man en zijn vrouw tegen drie uur wakker. Dan staan ze maar op.

Schrijf op: Afrika is de enige regio ter wereld waar het aantal gevallen van tbc blijft groeien. In 2003 overleden 1,3 miljoen mensen aan tuberculose, vrijwel uitsluitend in ontwikkelingslanden. (WHO)

Het verhaal van het oude paar heeft me diep geraakt. Niet alleen mij, ook Chifumbi, ook de fotograaf. Chifumbi is furieus over de meedogenloosheid van de dorpelingen. Waarom mijden ze het paar? Waarom grijpen ze niet in? 'Zijn het wel mensen?' Hij haalt een spreekwoord in de lokale taal Chechewa aan: Mutnhu Umakhala Munthu Ndi Anthu Anzako. 'Een mens is alleen maar mens in relatie tot anderen.'

's Avonds eten we zoals altijd met zijn vieren, Chifumbi, de fotograaf, het dorpshoofd en ik. Chifumbi en het dorpshoofd eten met hun handen, de fotograaf en ik met vork en lepel. Bij het flauwe flakkeren van een olielamp.

Als Chifumbi tegen het dorpshoofd over het oude paar begint, is de spanning te snijden. Hoe kan het dorp lijdzaam toezien terwijl twee dorpelingen verkommeren van de koude? 'Iedereen is hier arm', zegt het dorpshoofd. Maar de zachtaardige Chifumbi die voor iedereen begrip heeft, is niet te stuiten. Hij wijst op de bonte lap die in de opening naar een andere kamer hangt. 'Versiering', zegt hij. 'Die lap kan ook een mens verwarmen.'

'Iedereen is hier arm', erkent Chifumbi. 'Maar sommigen hebben meer dan anderen. En iedereen kan een slaapmat vlechten. Iedereen kan de wasplaats van het oude echtpaar repareren.' Dan stelt hij de vraag waarop het ijzingwekkend stil blijft. 'Hoe kun je verwachten dat vreemdelingen hier komen helpen, terwijl jullie elkaar niet eens helpen?' Het dorp verliest zijn onschuld.

Voor Chifumbi staat vast dat hij de lap waar hij zich 's nachts in wikkelt afstaat aan de oude man. Ik geef een van mijn dekens. We discussiëren over deze giften. We hadden ons voorgenomen niet in te grijpen in het leven van het dorp. Soms mag je niet afzijdig blijven. Chifumbi brengt lap en deken in het nachtelijke duister. Het dorp hoeft niks te weten.

De volgende ochtend lopen we even langs bij de melaatse oude man. Hij zit voor het huis te stralen. Hij heeft geslapen, geslapen. 'Tot de zon hoog aan de hemel stond.'

Schrijf op: Jaarlijks overlijden twee tot drie miljoen mensen aan malaria. Negentig procent van de slachtoffers valt in Afrika, vooral onder kinderen. (WHO, Unicef)

Ik heb het dorpshoofd gevraagd me te waarschuwen als een van de dorpelingen naar de gezondheidspost in Kasiya gaat. Ik wil de zieke graag op die tocht vergezellen. Aan het eind van de week heeft zich nog niemand gemeld. Zouden de dorpelingen blaken van gezondheid?

Een vader vertelt me dat zijn zoon alle symptomen van malaria vertoont: hoge koorts, hoofdpijn, spugen. Zo heeft hij ook een dochter verloren. Eindelijk dringt het tot me door: de meeste dorpelingen hebben het geld niet om naar de gezondheidspost te gaan. Ik bied aan de 60 kwacha voor het consult van de zoon te betalen, nog geen halve euro.

Dat is de tweede schending van de afspraak om niet in te grijpen in het leven van het dorp.

De volgende ochtend tref ik aan de rand van het dorp, op de weg naar Kasiya, niet alleen vader en zoon aan, ook een man op een geleende fiets die van de rugpijn niet kan lopen en een man die tuberculose zegt te hebben. Zij willen zich ook wel laten vergezellen in ruil voor een gratis bezoek aan een arts.

Schrijf op: Minder dan de helft van de mensen in Malawi heeft toegang tot de belangrijkste medicijnen. (UNDP) Dokter Aubrey Maganizo heeft er ook niet om gevraagd. Om in deze uithoek te werken. Hij is hier ook maar heen gestuurd. Door het ministerie van Volksgezondheid. Omdat zijn voorganger te veel dronk.

Natuurlijk zou hij zijn patiënten graag beter helpen. Maar heb ik het ziekenhuis gezien? Geen stroom, geen laboratoriumfaciliteiten, dus geen aids-test. Aids-remmers kun je helemaal vergeten. Hij mag al blij zijn als hij de basismedicijnen krijgt. IJzerpillen, voor al die ondervoede moeders en kinderen, heeft hij al lang niet meer gehad. En hij weet ook wel dat de fansidar die hij de malariapatiënten geeft, maar in 60 procent van de gevallen werkt. Omdat de parasieten resistent voor het medicijn zijn geworden. Maar effectievere medicijnen krijgt hij niet. En 60 procent is nog altijd beter dan niks. De meeste zieken in de dorpen komen toch nooit naar de gezondheidspost. Te ver. Te duur. Achter hun horizon.

Zuster Lecey Kachepa laat de kraamafdeling zien. Weet ik wel hoe moeilijk het is om 's nachts een kind te halen bij het licht van een olielamp? Aanstaande moeders wachten altijd te lang om te komen. Dan staan ze op de akker en dan breekt het water. Ja, dan zijn ze toch weer aangewezen op zichzelf.

Ze geeft ook voedingsadviezen aan zwangere vrouwen. Eiwitten, eiwitten. Daar hamert ze op. Maar als ze die nou niet hebben? Jonge moeders raadt ze aan na zes maanden niet meer alleen borstvoeding te geven aan de baby, ook pap. De meeste zuigelingen zijn veel te licht en blijven achter in de groei. 'We geven de kennis. Maar het voedsel ontbreekt.'

Schrijf op: Het risico dat een moeder bij de bevalling overlijdt, is in Afrika 1 op 16, in Noord-Amerika 1 op 3.700. (UNDP)

Bij de eerste huizen vraag ik hoeveel kinderen ze hebben. Bij het tweede huis zeggen ze: 'Vier. In leven.' In het vervolg vraag ik ook steeds hoeveel kinderen er gestorven zijn.

Andiseni Bulaimu verloor 4 van de 12 kinderen, Rosemary Spriano 3 van de 7, Agnes Julias 2 van de 4, Trifonia Ponsori 3 van de 8, Sesiria Erenesto 2 van de 8, Rosemary Makanga 1 van de 4, Joice Foliasio 3 van de 5, Zione Chimangeni 5 van de 8, Hopuson Thunde 2 van de 10, Zerifa Paul 1 van de 4, Josefina Layitani 4 van de 11, Magdalena Bonifansio 3 van de 11, Matias Chadika 2 van de 9. Marigerita Radael 11 van de 15, Keterina Augistino 6 van de 10, Elise Mayiko 2 van de 7, Agata Dauti 4 van de 11, Nasiwota Makisoni 5 van de 9, Agnes Makisoni 2 van de 8, Everess Banda 1 van de 3, Neria M'Koche 4 van de 10, Malieta Anderson 4 van de 9, Geremena Charles 3 van de 7, Marieta Padisoni 2 van de 8, Anny Bizaliel 2 van de 4, Yosofina Anderson 5 van de 11, Anna Isim 6 van de 10.

Tweeënnegentig kinderen dood in een dorp van nog geen 300 mensen. Ze stierven niet massaal. Ze stierven een voor een.

Schrijf op: In Malawi sterven 114 van de 1.000 levend geborenen in het eerste levensjaar, in Nederland 4,5 van de 1.000. Mondiaal sterven jaarlijks vier miljoen kinderen in het eerste levensjaar, nog eens vier miljoen kinderen worden dood geboren, 99 procent van hen in ontwikkelingslanden. (UNDP)

'Ik ging maïs kopen.

Die kostte 300 kwacha per emmer.

Ik had maar 200 kwacha, dus ik kon niks kopen.

Thuis hebben we niks te eten.

Hoe moet ik nu aan het voedsel komen?'

De jongen besluit zijn lied met zacht gejank.

Mahamudi Charles schaamt zich, omdat hij met zijn 15 jaar pas in de derde klas van de lagere school zit. Hij zegt dat hij in de vierde klas zit. Hij kan best leren, maar hij verzuimt vaak. Mahamudi komt uit zo'n gezin dat midden in de oogsttijd al geen maïs heeft. Zijn vader en moeder trekken er elke dag op uit 'op zoek naar voedsel'. Zo noemen ze de jacht op ganyu, los werk dat betaald wordt in geld of natura.

Zijn vader helpt bij de tabaksoogst op de landerijen die verdreven, blanke Zimbabweaanse boeren van de staat hebben gepacht. Zijn moeder bindt de tabaksbladeren samen. Soms scheidt ze een hele dag het kaf van het koren: tok, tok. tok. Ritmisch stampend met de houten vijzel. Voor een huishouden in een van de naburige dorpen dat wel genoeg maïs heeft.

Als ze een dag geen werk vinden, is er niks te eten. Zijn moeder maakt zich nu al zorgen. Later in het jaar worden klusjes steeds schaarser, beloningen een aalmoes: een beker kaf van maïs.

Mahamudi 'zoekt' na schooltijd ook naar voedsel. Of tijdens schooltijd. Vanmiddag is hij de akkers afgegaan om de maïskolven te rapen die zijn achtergebleven. Hij is trots op zijn bijdrage aan het huishouden. Hij zit nooit stil.

Drie jaar geleden heeft hij 100 kwacha, 71,5 eurocent, verdiend door drie dagen iemands akker te bewerken. Van dat geld heeft hij een tweedehands banjo gekocht. Hij oefent bijna elke dag. 'Als ik speel ben ik blij.'

Hij wil net zo beroemd worden als de zanger-annex-banjospeler Josephy Mkasa. Hij schrijft zijn eigen liedjes. Hij heeft er vijf. Hij schrijft ze niet echt. 'Ik bouw ze in mijn hoofd.'

En als de schemer valt, dan zingt hij, deze veel te kleine, veel te tengere jongen, met zijn kinderstem. Eerst ijl, bijna niet te horen, allengs met onvermoede kracht. Over een vrouw die mannen geeft wat ze willen, omdat ze anders niks te eten heeft. Over een broer die aan aids is bezweken.

'Onderwerpen uit het leven in het dorp', zegt hij. Reageert zijn publiek geschokt, dan kan hem dat niks schelen. 'Mijn liedjes zijn waar.'

En als hij er nu niet in slaagt een beroemde zanger te worden? 'Het moet mij lukken.'

En als hij weer eens honger lijdt en hij heeft alleen nog zijn banjo om te ruilen tegen voedsel? 'Ik kan mijn banjo niet verkopen.' Hij spreekt met grote ernst. 'Ik ben bereid met mijn banjo te sterven.'

Schrijf op: Bijna de helft van de Afrikaanse kinderen tussen 5 en 14 jaar werkt. (Unicef)

Het dorpsbeeld is de laatste dagen ingrijpend veranderd. De melaatse oude man zit niet langer alleen in de schaduw van zijn huisje. Dorpelingen komen een praatje maken. Hij maakt zelf uitstapjes naar zijn kinderen, zich met zijn armen voortslepend door het zand.

Vlak voor het vertrek van de fotograaf is spontaan het idee ontstaan om een groepsfoto te maken van de dorpelingen. Ruim 150 ouders en kinderen verzamelen zich bij de dorpspomp.

Alle gezichten staan ernstig. Niemand praat.

Daarom hoor je het zo goed dat de melaatse oude man eraan komt. Hij wil ook op de foto. Hij verschuilt zich niet langer.

Hij neemt een centrale positie in.

's Avonds, als radio Maria eindeloos rozenkransen bidt, vertelt hij dat hij zich uit de gevangenis bevrijd voelt, dat het dorp hem weer als mens heeft erkend. 'Ik hoor er weer bij.'

Schrijf op: De komende 25 jaar komen er anderhalf miljard mensen bij in ontwikkelingslanden, vijftig miljoen in rijke landen. (Wereldbank)

Hij was altijd een goede echtgenoot geweest. Hij had altijd goed voor het gezin gezorgd. Maar in de hongerperiode van drie jaar geleden was het hem misschien te veel geworden. Hij had niet als de andere mannen in het dorp willen sterven. Hij was op zoek gegaan naar voedsel en was niet meer teruggekeerd. Hij had zichzelf gered.

De 38-jarige Malieta Anderson doet haar verhaal met haar pasgeboren zoon aan de borst.

Ze heeft hem één keer teruggezien. Dat was vorig jaar. Opeens stond hij voor de deur. Andere dorpelingen lachten hem uit, omdat hij zijn gezin in de steek had gelaten. Ze noemden hem 'een zwakkeling'. Toen vertrok hij. Ze had gehoopt dat hij zou blijven. Hij had haar weer zwanger gemaakt. Later hoorde ze dat hij allang was hertrouwd in een ander dorp.

Ze weet dat ze een mislukkeling is. Vier kinderen heeft ze al verloren. Een stierf er van de honger vlak voordat haar man de eerste keer verdween. De andere vijf kinderen, daar kan ze niet goed voor zorgen. Het spijt haar. Ze wil wel. Maar ze schiet tekort. 'Er is altijd gebrek.'

Ze maakt zich grote zorgen voor de komende maanden.

Het lukt haar niet goede plannen te maken om aan voedsel te komen. Het lijkt wel of de problemen almaar groter worden. Had ze nog maar een man, dan stonden ze er tenminste samen voor.

Schrijf op: In Malawi is eenderde van de bevolking ondervoed. (UNDP)

Arme dorpelingen schamen zich. Ze voelen zich verantwoordelijk voor hun armoede. Zij falen, waar anderen slagen. Dat ligt aan henzelf.

Ze generen zich als hun kinderen in versleten, gescheurde kleren naar school gaan. Of helemaal niet naar school gaan bij gebrek aan een pen. Ze komen te laat in de kerk, omdat ze geen schoenen dragen, zelfs geen armzalige plastic muiltjes. Alsof in de bijbel staat geschreven : 'Gij zult het huis van God niet blootsvoets betreden.'

Ze denken dat ze worden uitgelachen. Ze denken dat er over hen geroddeld wordt. Ze trekken zich terug.

Ze worden ook geïsoleerd. Het dorpshoofd slaat hen over als er na het aanleggen van een brandgang rond de kerkhoven een maaltijd voor het hele dorp moet komen. Ze hebben toch niks bij te dragen. Ze kunnen niet eens meepraten over de prijs van de tabak.

De armsten van de armen zie je in het dorp het minste.

Ze zoeken naar voedsel. Ze houden zich schuil.

Schrijf op: 'Het niveau van extreme armoede in combinatie met slechte oogsten is rampzalig voor de voedselzekerheid. (...) De regering heeft een extreem slechte reputatie in het waarborgen van voedselzekerheid.' (Malawi and Africa Peer Review Mechanism 2004)

Vijf jaar geleden bracht de Wereldbank een groot rapport uit over armoede. Onderzoekers inventariseerden de meningen van 60.000 arme mannen en vrouwen uit zestig landen. Dat was nooit vertoond. Voor het eerst kwamen de armen massaal zelf aan het woord.

In Malawi kwamen de arme boeren tot een onderverdeling in vier klassen.

Je hebt de opeza bwino, zij die het goed doen. Huishoudens met gevulde graanschuur, groot vee zoals koeien en geiten, kleren zonder scheuren en geld of maïs om anderen voor zich te laten werken.

Daaronder komen de opeza bwino pang'ono, zij wie het niet slecht gaat. Al hebben ze niet genoeg maïs voor het hele jaar, al hebben ze alleen maar wat pluimvee, al hebben ze te weinig kleren en kunnen ze niet zonder los werk.

Dan heb je de osauka of bakavu, de bezitlozen. Zij zijn voor hun voortbestaan sterk afhankelijk van los werk, ze kunnen zich geen kunstmest veroorloven. Ze hebben plastic kookgerei en ongezonde lijven.

Onderaan bungelen de osauka kwambiri, de armsten van de armen. Ze hebben alleen de kleren die ze dragen, ze eten maar een klein deel van het jaar nsima, ze zijn achtergebleven in de groei en zien er ziekelijk uit.

In Dickson behoren 36 van de 45 huishoudens tot de laagste twee groepen. Gehandicapten, zieken, weduwen, alleenstaande moeders zijn er het beroerdst aan toe.

Schrijf op: De laagste twee klassen van armen maken 80 tot 90 procent van de huishoudens in Malawi uit. Tien jaar geleden was dat nog 30 tot 40 procent. (Wereldbank, Voices of the Poor)

De 65-jarige Marigerita Rafael denkt steeds vaker aan de doden die ze heeft begraven. Haar man. Elf kinderen. Ze heeft een sterk vermoeden: zij is dit jaar aan de beurt.

Kijk maar in alle hoeken. Ze heeft nu al geen korrel maïs meer in huis. De mannen uit het dorp laten haar nippen van het traditioneel gebrouwen maïsbier. Zo vergeet ze dat ze niet heeft gegeten. Het werkt.

Nee, er is niets meer wat haar vreugde schenkt. Ook niet het dansen te midden van de andere vrouwen, wat haar ogenschijnlijk vrolijk en lichtvoetig maakt. Dat doet ze alleen maar om de kinderen blij te maken. Kinderen hoeven niet te merken hoe groot je zorgen zijn.

Schrijf op: 43 procent van de mensen in Malawi heeft geen toegang tot schoon drinkwater, 24 procent heeft geen sanitair. (UNDP)

Misschien is hij wel de best boerende boer van het dorp. Niemand in het dorp heeft dit jaar zoveel maïs van het land gehaald als hij: 1.200 kilo. Hij heeft ook tabak geoogst, hij houdt varkens en kippen. In zijn huis staan een tafel en vier stoelen. Luka Eliamu, 23 jaar, vader van een zoon van tweeëneenhalf jaar.

Op de tafel ligt een beduimelde pocketuitgave van het toneelstuk Julius Caesar van William Shakespeare. In andere huizen vind je af en toe een plastic zak met oude schoolboeken die eerbiedig worden bewaard. Soms een bijbel of een religieus traktaat. Dit is de enige roman in het dorp. Luka zegt dat hij er elke dag in leest.

Hij is een van de vier dorpelingen die een beetje Engels spreken. Hij heeft het op de middelbare school tot de derde klas gebracht. Toen stierf zijn vader. Er was geen geld meer voor school.

Om zijn Engels bij te houden en om zijn kennis te verdiepen, kocht hij drie jaar geleden in Lilongwe een exemplaar van Julius Caesar. Voor 800 kwacha, ruim vijfeneenhalve euro. Voor dat geld had hij ook een zak maïs van 50 kilo kunnen krijgen. Maar hij moest het boek hebben. Hij had het werk op school ooit geleend van een vriend. Het had een verpletterende indruk gemaakt.

Hij zegt dat het boek hem aanzet om vooruit te komen in het leven. 'Julius Caesar heeft me al zoveel geleerd.' Hij haalt het verhaal aan van de keizer die de raadgevingen uit zijn omgeving in de wind slaat en toch naar de Senaat gaat. Waar hij wordt vermoord door de tribunen. 'Ik heb geleerd dat je moet luisteren naar wat de mensen je vertellen. Anders loopt het slecht met je af.'

Schrijf op: Malawi krijgt jaarlijks 35 dollar ontwikkelingshulp per hoofd van de bevolking, de Nederlandse Antillen 295 dollar, Gaza en de Westbank 262 dollar, Cyprus 63 dollar, Estland 49 dollar, Hongarije 42 dollar. (The Economist)

Het dorp krijgt een beloning als we weggaan. Dat had ik afgesproken met de pater en met de redactie van dit blad. Het dorp wist daar niks van. Elk van de 45 huishoudens krijgt een envelop met 1.000 kwacha, ruim 7 euro, genoeg om een zak maïs van 50 kilo voor te kopen en die ook nog te laten malen. 'Niet als gift', zeg ik op een dorpsbijeenkomst, nadat we gezamenlijk nsima hebben gegeten. 'Ik ben het jullie schuldig. Omdat jullie tweeëneenhalve week lang mijn onderwijzers zijn geweest.' Het dorpshoofd stelt voor dat vrouwen de envelop in ontvangst komen nemen. 'Mannen zijn niet allemaal even volmaakt.' Een laatste ingreep in het leven van het dorp.

Schrijf op: Tachtig procent van alle bezit is in handen van een miljard mensen, 16 procent van de mensheid; het overgrote deel woont in West-Europa, Noord-Amerika en Japan. (Wereldbank)

Sinds de geboorte van de mensheid 150.000 jaar geleden zijn de mensen altijd arm geweest. Met de Industriële Revolutie twee eeuwen geleden kwam daarin pas verandering. In 1820 was het gemiddeld inkomen in West-Europa nauwelijks hoger dan in Afrika. De levensverwachting in West-Europa lag net zoals in Afrika rond de veertig jaar. Welvaart voor de massa is een recente luxe, nog altijd maar voor een zesde van de mensheid weggelegd.

Intussen groeien de steden in het Westen en de dorpen in het Zuiden steeds verder uit elkaar. De Poolse Afrika-kenner Ryszard Kapuscinski heeft ooit geopperd dat de evolutie niet voltooid is. Er ontwikkelen zich twee soorten mensen. Eén in het donker, één in het licht. Zoals in de roman The Time Machine van de Britse schrijver H.G. Wells. Hij beschrijft hoe de aarde in een verre toekomst wordt bevolkt door twee soorten van menselijke wezens: De schompige werkbeesten. En de delicate, dartelende schepsels die in zalige onwetendheid leven. Alleen geplaagd door vage angst.

'Schrijf op', steeds herhaald, als het stampen van de vijzel in het dorp, is ontleend aan het gedicht 'Het hongerkamp bij Jaslo' uit de bundel 'Einde en begin' van de Poolse Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska.

Dick Wittenberg is redacteur van NRC Handelsblad.

Jan Banning is fotograaf.

    • Dick Wittenberg