Halen we Lissabon?

U moet slimmer worden. En wat nog erger is: ik ook, want die eis geldt voor ons allemaal. Dat hebben de regeringsleiders nu eenmaal met elkaar afgesproken, een paar jaar geleden in Lissabon. Maar hoe doe je dat, met z'n allen slimmer worden? Door ervoor te zorgen dat meer mensen hoog geschoold worden. Zo wil het Lissabon-streven dat straks de helft van de Nederlandse jeugd die de arbeidsmarkt betreedt hoger onderwijs heeft gevolgd. De eenvoudigste en goedkoopste manier om dat doel te realiseren is natuurlijk de eisen verlagen. Via diploma-inflatie heeft Nederland dan over een jaar zijn zaakjes Lissabon-conform voor elkaar. Maar we zijn een fatsoenlijk land, dus dat willen we niet. Om niet voor die verleiding te bezwijken, is de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, de NVAO, in het leven geroepen. Karl Dittrich, de hoogste baas daarvan, vertelt in het dagblad Trouw waarom het voor onze economie van essentieel belang is die doelstelling te realiseren: `We zijn een land van dienstverleners en handelaars. We hebben geen olie waar we op kunnen leven dus een kenniseconomie is voor ons heel belangrijk. We moeten internationaal aantrekkelijk zijn en daarvoor is het belangrijk dat we onze talen spreken en weten hoe om te gaan met andere culturen.' Tot zover Dittrich.

In Nederland gaat veertig procent van alle kinderen naar havo of vwo, de resterende zestig procent naar het vmbo. Met andere woorden, we leiden niet meer dan veertig procent van alle kinderen op voor een verdere studie aan hogeschool of universiteit. Als u bedenkt dat lang niet iedereen die naar het hoger onderwijs gaat daar ook een diploma haalt, dan lijkt dit streven volstrekt onrealistisch. Er dient dus een list te worden verzonnen.

De oplossing die Dittrich voorstaat ligt geheel in de lijn van de Haagse politiek van de laatste paar jaar, namelijk het bevorderen van de doorstroming van middelbaar naar hoger beroepsonderwijs. Dat mbo is een lappendeken van allerlei opleidingen die sterk van elkaar verschillen in duur en niveau. De hoogste opleiding duurt vier jaar, en het zijn deze studenten die in aanmerking komen voor een verdere studie. Ongeveer de helft daarvan doet dat nu al. Die doorstroming heeft de meeste kans van slagen waar het gaat om opleidingen waarbij het primair gaat om duidelijke vakkennis zoals in de technische sector. Maar in die sectoren waar algemene ontwikkeling een belangrijke beroepsvereiste is, redden de mbo'ers het in de regel niet. Tenzij de hogeschool de hand licht met redelijke beroepseisen zoals dat bij de lerarenopleidingen veelvuldig het geval is. De NVAO is in het leven geroepen om dat tegen te gaan, dus dat zal, zo mogen we hopen, op termijn steeds moeilijker worden. De doorstroming van de mbo'ers geeft dus problemen, juist in die sectoren waar een brede algemene ontwikkeling deel uitmaakt van de beroepseisen. Bijvoorbeeld de eis zoals Dittrich die formuleert, namelijk dat we onze talen spreken. Die algemene kennis ontbreekt nu bij jongeren die eerst het vmbo en vervolgens het mbo hebben gedaan. Hier wreekt zich het feit dat in Nederland extreem weinig jongeren na de basisschool een meer theoretische, algemeen vormende vooropleiding volgen. Willen we het aantal hooggeschoolden bevorderen dan moeten we daar verandering in brengen en dat kunnen we doen door naast de doorstroming van mbo naar hbo ook die van mavo naar havo te bevorderen. Als we dat doen wedden we op twee paarden, wat verstandig is omdat ze beiden kansrijk zijn.

lgm.prick@worldonline.nl

    • Leo Prick