Grootkapitaal

BIJ HET BEGIN van het academische jaar eerst even een kleine quiz, om te zien of u wel helemaal bij de les bent. Welke briljante en internationaal befaamde natuurkundige is in de problemen met de autoriteiten gekomen door een discussie over geloof en wetenschap, kreeg vervolgens aanbiedingen van Harvard en de Universiteit van Amsterdam, maar bleef uiteindelijk toch op zijn plek?

Terwijl u even rustig nadenkt, wil ik ondertussen een serieuzere vraag stellen: Hoeveel Belgen zijn er nodig om een lamp aan te doen? Iets preciezer gezegd, de lamp in de rectorkamer van de Katholieke Universiteit Leuven? Het antwoord is 1236. Zoveel stemmen zijn er namelijk afgelopen mei uitgebracht bij de verkiezing van de nieuwe rector van die universiteit (en die mag vervolgens op het lichtknopje drukken).

Net op de verkiezingsdag gaf ik een lezing in Leuven. Maar het bleek moeilijk mijn publiek te boeien. Bij de receptie na afloop werd alleen maar over de verkiezingen gesproken. Iedereen was die ochtend naar het lokale stembureau gegaan en wachtte in spanning op de uitslag. En dit was al de derde ronde. Ook de studenten hadden een stem, 133 stemmen om precies te zijn. Een minder groot gewicht dan de hoogleraren, maar toch. Er had zich zelfs een echte spannende race ontsponnen tussen de twee overgebleven kandidaten. Een theoloog met veel bestuurservaring, die misschien wat te goed ingewerkt was, tegenover een jurist die als `Bekende Vlaming' vooral op televisie en de opiniepagina's te zien was geweest. Uiteindelijk won de theoloog in een fotofinish met slechts 20 stemmen voorsprong. De studenten hadden de doorslag gegeven.

De Belgische collega's wilden natuurlijk allemaal weten hoe dergelijke verkiezingen in Nederland verlopen. Ja, en daar sta je dan. Dan moet je uitleggen dat in ons polderland, waarin iedereen de mond vol heeft van bestuurlijke vernieuwing en gekozen burgemeesters, in de jaren negentig in alle stilte de universitaire democratie min of meer is afgeschaft. Opvallend genoeg werd die contrarevolutie uitgevoerd door dezelfde generatie die in 1968 vanuit het Maagdenhuis `de zegepraal over het grootkapitaal' bezong. Maar eenmaal op het bestuurspluche beland bleek al die inspraak alleen maar remmend te werken. Een mooi geval waarin de kinderen de revolutie opeten in plaats van omgekeerd.

Nu ben ik daar niet 100 procent rouwig om. De beruchte studentenparlementen uit de jaren zeventig, die zich eerder met Vietnam, de wereldvrede en `aksie tegen de neutronenbom' bezighielden dan met onderzoek en onderwijs, zijn gelukkig verleden tijd. Ik heb groot respect voor mijn collega's die toen het vlammetje brandend wisten te houden en het intellectuele grootkapitaal van de universiteiten beschermden. Maar op dit moment is het wel erg magertjes gesteld met de inspraak en dat is jammer. Want, zoals mijn Belgische ervaring weer eens bevestigde, gemeenschapsgevoel vormt het hart van een universiteit. In het lelijke taalgebruik van de manager is de academische wereld bij uitstek een platte organisatie, waar iedereen, van eerstejaars tot emeritus, een eigen rol heeft. Het is een organisch geheel, een boom met diepe wortels en lange takken. Daarom kunnen universiteiten ook zo ongelooflijk oud worden en eeuwenlang rijke vruchten blijven dragen.

Zo werd de universiteit van Leuven opgericht in 1425 en is daarmee de oudste universiteit van de Lage Landen. Zij is meer dan een eeuw ouder dan het oudste college van staat, de eerbiedwaardige `Conseil d'Estat' of Raad van State, die keizer Karel de Vijfde in 1531 instelde. Van Nederland had toen nog niemand gehoord.

Het is niet ongebruikelijk dat een onderwijsinstelling ouder is dan het land waarin ze gevestigd is. Op mijn middelbare school, het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam, begon de eerste geschiedenisles met de oprichting van de school. Daarna gingen we over tot de Sumeriërs, Babyloniërs en andere moderniteiten. Nu was het enthousiasme van onze leraar goed te begrijpen. Hij had net het stichtingsjaar van de school met twintig jaar teruggeschoven tot 1328, zodat alleen het Dordtse gymnasium nog ouder was.

Ik word ook enthousiast van die lange historische lijnen in wetenschap en onderwijs. Probeer het maar eens concreet voor te stellen. In het onderwijs duurt een typische generatie, waarin een leerling een leraar wordt, zo'n twintig jaar, soms zelfs korter. Denk maar aan een kleuterjuf van 25, of een hoogleraar van 45. (En of je nu peuter, scholier of student bent, je hebt altijd het gevoel dat er een bejaarde voor de klas staat.) Er zijn genoeg resultaten, bijvoorbeeld de stelling van Pythagoras, die meer dan 3000 jaar teruggaan en dus via ketens van zo'n 150 generaties studenten en docenten zijn doorgegeven. Als die allemaal elkaar een hand zouden geven, komt de rij gemakkelijk van de ene naar de andere kant van een voetbalveld.

Om je naam voor de eeuwigheid te vestigen kun je het beste een briljante vondst doen. Een gemakkelijker alternatief is je naam aan een instelling of leerstoel verbinden. Dat kan ook zakelijk gezien interessant zijn. Toen Henry Lucas in 1663 een leerstoel in de wiskunde schonk aan de universiteit van Cambridge, kon hij moeilijk vermoeden dat hij daarvoor niet alleen Isaac Newton en Paul Dirac, maar ook nog eens Stephen Hawking zou krijgen. Niet slecht voor 100 pond per jaar. Het is een interessant maatschappelijk commentaar dat de levensduur van sommige bedrijven aanzienlijk korter is gebleken dan de naar hen vernoemde leerstoelen. Denk aan de professoraten in de economie vernoemd naar het in een storm van boekhoudschandalen gezonken Enron. `Het is een beetje alsof je op een Al Capone-leerstoel zit', grapte een van deze arme Enron-professoren.

De lange adem van de wetenschap en de universiteit brengt me naar het antwoord op de quiz. Die beroemde fysicus met problemen met de kerkelijke autoriteiten was natuurlijk Galileo Galilei. Niet alleen de discussie rond wetenschap en religie, maar ook het spel om de poppetjes is dus eeuwenoud. Zelfs in de zeventiende eeuw lagen er opportunistische kapers voor de academische kust. De aanbieding van Harvard, dat in 1636, ruim voor de geboorte van de Verenigde Staten, was opgericht voor minder dan 1000 pond (ook geen slechte investering), ken ik alleen van horen zeggen. Het zou me eerlijk gezegd verbazen als het waar was, want men onderwees daar toen nog dat de zon om de aarde draaide. Maar het is wel een charmante fantasie om te bedenken wat er van Galilei terecht zou zijn gekomen als hij naar de Nieuwe Wereld was vertrokken. Het doet me denken aan een verhaal dat ik ooit hoorde waarin Mozart niet 36 jaren jong in Wenen overleed, maar nog een lange en vruchtbare muzikale carrière als gevierde operettecomponist in Amerika beleefde.

De aanbieding van het Atheneum Illustre, de voorloper van mijn huidige werkgever, is beter gedocumenteerd. Deze instelling was in 1632 het jaar van het proces van Galilei opgericht als een school die zonen van rijke Amsterdamse kooplieden moest voorbereiden op de universiteit. De wiskundige Hortensius correspondeerde uitvoerig met Galilei over de mogelijkheid om naar Amsterdam te komen. Maar uiteindelijk voelde Galilei zich te ziek en de kooplieden, die aanvankelijk wel wat zagen in zijn technologie om nauwkeuriger tijd te kunnen bijhouden op hun Oost-Indiëvaarders, verloren hun interesse. Ze hadden natuurlijk met hun scherpe Hollandse koopmansgeest een betere investering in gedachten voor hun kapitaal.

    • Robbert Dijkgraaf