Eén gen helpt zenuwcellen aan vette isolatielaag

Een enkel gen vormt de schakelaar die zorgt dat er rond de uitlopers van zenuwcellen een vettige laag wordt opgebouwd die essentieel is voor snelle zenuwgeleiding. In zenuwcellen zonder het gen, neuregline-1 genaamd, ontstaat de vettige isolatielaag niet. Als het gen vervolgens wordt toegevoegd, begint de laag zich te ontwikkelen, zo ontdekten onderzoekers uit New York. De isolatielaag, de zogeheten myelineschede, speelt in de hersenen bovendien een rol bij multiple sclerose en diverse spierziekten (Neuron, 1 sept.).

Bijna alle zenuwcellen beschikken over een cellichaam van waaruit meerdere korte en een enkele lange uitloper steken. Deze lange uitlopers, de axonen, kunnen bij mensen tot een meter lang worden en voeren prikkels van het cellichaam naar andere zenuwcellen, spieren of klieren. Die prikkeloverdracht verloopt sneller als de axonen zijn omgeven door een myelineschede.

In het perifere zenuwstelsel (alles buiten de hersenen en het ruggenmerg) wordt deze gevormd door de Schwanncellen die zich als een stuk isolatietape een groot aantal malen om het axon heen winden. Ruwweg om de millimeter, op de overgang van de ene Schwanncel naar de andere, bevat de schede insnoeringen waar de isolatie ontbreekt. Prikkels die langs het axon worden geleid, hoeven daardoor niet iedere micrometer daarvan af te leggen, maar doen dat in sprongetjes van de ene insnoering naar de volgende. Daardoor geleidt de zenuwen signalen tot 100 keer zo snel.

    • Huup Dassen