De Oostvaardersplassen: een concentratiekamp? Paarden zijn toch geen koolmezen

Onze kijk op dieren is niet bepaald consequent. Waar we ze enerzijds een eigen waardigheid toekennen, verdelgen we ze rustig als ze ons hinderen – denk aan muizen en mollen. In het debat over de wintersterfte van grote grazers, waarover minister en Kamercommissie volgende week praten, lopen te veel argumenten door elkaar.

Bij de ontwikkeling van beleid zijn in onze postmoderne samenleving niet alleen wetenschappelijke argumenten doorslaggevend. Ook belangen en emoties spelen gewild en ongewild een grote rol. Ook in het debat over het natuurbeleid in de Oostvaardersplassen. Op 13 juli verscheen in deze krant een artikel met als kop `We moeten leren van de natuur af te blijven'. In dat artikel wordt de Oostvaardersplassen door de voorzitter van de Raad voor Dierenaangelegenheden vergeleken met een concentratiekamp. Een bijzonder ongelukkige vergelijking die niet bijdraagt aan een constructief debat. Net zo min als een voormalig ambassadeur van Varkens in Nood destijds met deze vergelijking het varkensgeluk dichterbij heeft gebracht.

Terug naar de feiten. Het belangrijkste strijdpunt in het debat over het natuurbeleid in de Oostvaardersplassen is de wintersterfte onder de edelherten, de Konikpaarden en de Heckrunderen. Deze grote grazers leven in een 5.600 hectare groot omrasterd gebied van Staatsbosbeheer, waar van tijd tot tijd het voedselaanbod onvoldoende is om alle monden te voeden. Daardoor sterven er dieren, vooral aan het einde van de winter. Dat is in de natuur een situatie die eerder regel is dan uitzondering. Het komt in tal van landen in grote omrasterde en niet omrasterde natuurgebieden voor, zelfs in gebieden waar de dieren over grote afstanden trekken, zoals in de Serengeti in Afrika, 450 maal zo groot als de Oostvaardersplassen. Onderzoek aan de gnoes of wildebeesten in dit gebied heeft aangetoond dat hun aantal (nu 1,4 miljoen) gereguleerd wordt door gebrek aan voedsel, ongeacht de aanwezigheid van grote predatoren als leeuwen en gevlekte hyena's. Voor de zwakke dieren die sterven is dat beslist geen pretje, maar voorstanders van deze vorm van aantalregulatie verdedigen dit als natuurlijk en beschouwen dit als middel voor het verkrijgen van een sterke populatie met een omvang die op de draagkracht van het gebied is afgestemd.

Behalve sterfte door gebrek aan voedsel treedt bij een aantal soorten echter ook een zogeheten dichtheidsafhankelijke regulatie op. Dat betekent dat naarmate er meer dieren komen en de hoeveelheid voedsel niet navenant voorradig is, niet alle vrouwelijke dieren elk jaar drachtig worden en jongen krijgen. Ze slaan een jaar over. De hypothese van dr. Frans Vera, de geestelijke vader van deze vorm van natuurbeheer en werkzaam bij Staatsbosbeheer, is dat ook in de Oostvaardersplassen de sterken overleven en de dieren zelf op termijn hun voortplantingssnelheid mede afstemmen op het voedselaanbod in het gebied. Op de lange termijn, is de gedachte, ontwikkelt zich zo een zelfregulerend ecosysteem dat minder menselijk ingrijpen vraagt. Meer natuurlijkheid betekent een betere garantie voor het voortbestaan van soorten en minder beheer. Dat daarbij het welzijn van individuen ondergeschikt is aan het belang van de populatie, moet dan op de koop toe worden genomen.

De vraag is echter of het zo werkt en in welke mate wintersterfte van vooral jonge en verzwakte dieren hét bepalende mechanisme is waarop aantalregulering is gebaseerd. Zijn er gegevens of deze natuurlijke aantalregulering zich op de verwachte wijze ontwikkelt? Veertig jaar onderzoek naar de aantalregulatie van de wildebeesten in de Serengeti laat zien dat ondervoeding de belangrijkste doodsoorzaak is (75 procent van de gevallen) en vooral de kalveren treft. Voedselschaarste leidde bij de jaarlingen (dieren die een jaar oud zijn) tot uitstel van de puberteit en bij volwassen dieren tot een afname van het percentage drachtige volwassen vrouwtjes van 95 naar 88 procent.

Hoe zit dat in de Oostvaardersplassen? Wat we weten is dat van de 1.550 edelherten die er aan het begin van de afgelopen winter liepen, 78 procent de winter overleefde. Van de 665 Heckrunderen wist 66 procent de ontberingen van de winter te trotseren en van de 880 Konikpaarden kwam 86 procent op eigen kracht de winter door. Percentages die in een aantal kranten en door een enkele politicus als `een catastrofe' en `massale sterfte' zijn aangeduid. Als we dat vergelijken met bijvoorbeeld de gemiddelde overleving van 32 procent voor onvolwassen en 74 procent voor volwassen bontbekplevieren over de broedseizoenen 1999-2002, dan zijn zulke percentages zeker geen slecht resultaat. Ook van de strandplevieren overleefde in hetzelfde broedseizoen 22 procent van de onvolwassen populatie per jaar, tegen 72 procent voor volwassen vogels. Van de patrijzen, een beschermde vogel van de Rode Lijst (een soort die volgens het beleid extra beschermingsmaatregelen behoeft), overleefde 60 tot 75 procent de winter. Ook een populatie koolmezen kent periodiek grote schommelingen in aantallen, waarbij tien uitgevlogen jongen in het voorjaar in het jaar daarop slechts één volwassen broedvogel opleveren. Bij een slechte beukennotenoogst, overleefde slechts 5 procent van de jonge vogels de winter en maar 35 procent van de volwassen dieren. Dergelijke percentages winteroverleving traden op in gebieden zonder hek er omheen. Voedselbeschikbaarheid in de natuur kent haar eigen grenzen. Het is de vraag of het hek om de Oostvaardersplassen er zoveel toe doet.

Genoemde overlevingspercentages zijn voor natuurvorsers en ecologen bekende kost. Vrijwel niemand lijkt daar grote moeite mee te hebben. Laat staan dat er massaal gewezen wordt op de morele plicht van burgers om tijdens de winter alle hongerige koolmezen in het bos bij te voeren om te voorkomen dat er ook maar één van de honger zou sterven. Voor veel soorten is de winter met zijn voedselschaarste de scherprechter die bepaalt welke eigenschappen voor de soort voldoende waardevol zijn om aan een volgende generatie doorgegeven te worden. Dat principe is voor de grote grazers niet anders en het is interessant dat Staatsbosbeheer deze unieke vorm van natuurbeleid op zijn merites wil toetsen.

Maar paarden zijn geen koolmezen en runderen geen strandplevieren. De aftakeling van grote grazers kunnen wij, in tegenstelling tot die van koolmezen en strandplevieren, gemakkelijk waarnemen. Daar komt bij dat we in onze samenleving voor paarden en runderen uiteenlopende referentiekaders hanteren. Er is een ecologisch kader dat door de natuurbescherming wordt gehanteerd. Dat is gericht op het functioneren van ecosystemen en populaties van dieren daarin. Daar tegenover staat het kader van de veehouderij. Dat is op de productie van het individuele dier gericht en is tevens het kader voor veterinaire zorg en zoötechnische zaken.

Tenslotte is er het referentiekader van de recreatiepaardenhouderij en de verzorgpony's. Dieren waarmee de eigenaren vaak een sterk emotionele band hebben. Deze zeer verschillende referentiekaders lopen dwars door onze maatschappij en leiden tot grote controverses over wat wel en niet aanvaardbaar is.

Een mooi voorbeeld daarvan is de reactie op een stelling van Rutgers, Swabe en Noordhuizen-Stassen (2003) naar acceptatie van het doden van gehouden dieren. De stelling luidde: ,,Als er in een natuurgebied een tekort is aan voedsel, waardoor dieren zullen verhongeren, is het aanvaardbaar om een aantal van hen te doden.'' Nergens in het onderzoek was de verdeeldheid in de reacties groter. Van de ondervraagden was 37,5 procent het eens met de stelling dat er preventief gedood zou moeten worden en 36,0 procent was het er mee oneens. De overige 26,4 procent wist het niet. Ik ben benieuwd wat de uitslag was geweest als bij `dieren' niet uitsluitend was gerefereerd aan grote grazers, maar ook aan koolmezen of spitsmuizen.

Ook als het gaat om het referentiekader voor het welzijn van dieren in de Oostvaardersplassen wordt de dierhouderij als voorbeeld gebruikt, omdat naar het welzijn van runderen en paarden in de dierhouderij uitgebreid onderzoek is gedaan. Voor dieren in de natuur geldt dat niet. Welzijnsonderzoek aan landbouwhuisdieren heeft bijgedragen aan vrij gedetailleerde regelgeving waardoor veehouders voor minder ernstige vergrijpen dan het laten verhongeren van dieren door de inspectiediensten van LNV en Dierenbescherming op de vingers worden getikt. Terwijl in het naastgelegen natuurreservaat Staatsbosbeheer de dieren van de honger laat doodgaan en niemand daarvoor bestraft wordt. Dat creëert begrijpelijkerwijs een diep gevoel van onrechtvaardigheid, vooral bij de veehouderijsector die wél wordt geconfronteerd met de consequenties van het dierenwelzijnsbeleid.

De verklaring voor deze tweeslachtigheid ligt in de gematigd biocentrische levensbeschouwing die velen onder ons hanteren en waarbij we aan individuele leden van een biotische gemeenschap van een ecosysteem een inherente waardigheid toeschrijven. Dit betekent echter niet dat we noodzakelijkerwijs ieder individu dezelfde waardigheid toekennen. We houden er rekening mee dat capaciteiten en functies van individuen van elkaar kunnen verschillen en dat we daarom tegenover sommige dieren meer verplichtingen hebben dan tegenover andere. Aan natuurdieren en productiedieren hebben wij verschillende functies toegekend en daarvan afgeleid hebben deze dieren voor ons een verschillende waardigheid of status. Hoe belangrijker dieren voor onszelf zijn, hoe hoger de status die wij ze geven. Wij deinzen er bijvoorbeeld niet voor terug om muizen in ons eigen huis met een klem te vangen of met muizenkorrels te verdelgen terwijl hun verre neef als laboratoriummuis door de wet op de proefdieren van de wieg tot het graf wordt beschermd. Wij kennen dus zelfs aan dieren van dezelfde soort een verschillende status toe op basis van hun functie of nut voor de mens, in weerwil van het uitgangspunt in onze wetgeving dat dieren een `eigenwaarde' hebben, los van hun functie. (Mollen mag je vangen met klemmen omdat ze ons gazon omploegen. Onder de grond houdt eigenwaarde op).

Wat de discussie over de grote grazers in de Oostvaardersplassen zo weerbarstig maakt is dat aan de grote grazers in de natuur een status wordt toegekend die is afgeleid van de status van boerderijdieren en recreatiedieren. LNV geeft in haar beheerskader `Leidraad grote grazers' namelijk aan dat de grote grazers in de Oostvaardersplassen weliswaar als `niet gehouden dieren' moeten worden beschouwd, maar dat de dieren wel recht hebben op de nodige zorg.

Een ander lastig punt in de welzijnsdiscussie is dat deze zich vooral concentreert op de laatste levensfase van de grote grazers. Volgens hoogleraar Ethologie en Welzijn prof. Berry Spruijt is welzijn van dieren echter geen momentopname, maar dient dit te worden beoordeeld als de totale balans van positieve en negatieve gebeurtenissen in het leven van een individu. Als we al verschillende referentiekaders hanteren, is het dus zaak om zoveel mogelijk aspecten in het leven van dieren mee te wegen en er niet alleen de laatste levensfase uit te lichten.

Ondanks dat bijvoorbeeld melkkoeien in de regel goed worden gevoed, krijgen ze hun kalf nauwelijks te zien. Het wordt kort na de geboorte bij de koe weggehaald. Een kwart van de kalveren dient om de melkkoeien op de boerderij, die gemiddeld niet veel ouder worden dan 5 jaar, te vervangen. De helft van de geboren kalveren wordt als vleeskalf afgemest en wordt binnen een half jaar geslacht. Steeds meer melkkoeien zijn in hun leven meer binnen dan buiten en hebben mede daardoor problemen met de gezondheid van klauwen, benen en uier. Hoogleraar Dier en Samenleving prof. Elsbeth Noordhuizen-Stassen merkte in het landbouwblad Oogst onlangs op dat als je alle welzijnsproblemen in de landbouw wilt oplossen, je geen veehouderij meer overhoudt. Gelukkig gaan melkkoeien niet van de honger dood, maar gemiddeld leven ze veel korter dan een Heckrund in de Oostvaardersplassen. Heckkoeien hebben normale seks met een stier en hebben met hun kalf een natuurlijke en levenslange band Mits het kalf de winter overleeft. Ze zijn permanent buiten en kunnen binnen het raster gaan en staan waar ze willen. Er is geen discriminatie naar geslacht en de stieren leven er net zo vrij als de koeien met hun kalveren. Maar uiteindelijk sterven de runderen uit zwakte een natuurlijke dood omdat ze niet langer in staat zijn om de schaarse voedselbronnen te bereiken.

Ook als paard is het de vraag waar je beter af bent, in de Oostvaardersplassen of als recreatie- of sportpaard. Paarden voor sport en recreatie worden vrijwel altijd in individuele boxen gestald en krijgen beweging naargelang de ruiter tijd en zin heeft. Gebrek aan beweging uit zich dikwijls in wat wij eufemistisch `stalondeugden' noemen. Feitelijk gaat het hier om frustraties van paarden die zich openbaren als luchtzuigen, stereotiep met het hoofd heen en weer weven, kribbebijten, onrustig rondjes draaien in de stal en schoppen tegen de stalwand. Buiken van paarden die door opname van gras en ruwvoer te dik zijn om er mooi uit te zien, worden met ruwvoerarme rantsoenen bestreden waardoor genoemde frustraties verergeren. En om in de sport goed te presteren worden paarden in onnatuurlijke houdingen gedwongen bepaalde spiergroepen te trainen. Voor het overige krijgen ze alle liefde en aandacht. Konikpaarden in de Oostvaardersplassen leven daarentegen in sociale verbanden in de vrije natuur, hebben beweging en ruwvoer in overvloed, maar staan wel bloot aan sociale competitie en aan de afvalrace die winter heet.

Al deze aspecten moeten meegewogen worden. Een gematigd biocentrische levenshouding laat ruimte voor gradaties van waardigheid voor dieren, waarbij ons eigen belang meespeelt. Het is iets in ons dat wij graag willen ontkennen, vooral omdat strikt genomen deze gematigd biocentrische houding vanuit het dier bezien hypocriet is. Want waarom de beverrat uitroeien en tegelijkertijd de bever beschermen? Of het castreren van katers aanmoedigen en tegelijkertijd het castreren van mannelijke varkens willen tegengaan? De verdeeldheid over de waardigheid van dieren en het tekort aan kennis over hun levensloopwelzijn maakt dat onderliggende belangen de richting van het debat over wat wel en niet toelaatbaar bepaalt. Zo pleiten jagers voor preventief afschieten, veehouders en dierenartsen voor bijvoederen, dierenbeschermers voor een prikpil, wetenschappers voor meer onderzoek en ecologen voor een zoveel mogelijk hands-off beleid.

Wat is feitelijk bekend over het effect van het beleid in de Oostvaarderplassen op het welzijn van de grote grazers? Is van de Heckrunderen die de winter niet hebben overleefd, nauwkeurig vastgesteld hoe oud deze waren en wat hun afstamming was? Is van alle dode dieren materiaal verzameld en opgeslagen voor nader onderzoek? Waren het vooral dieren met een slechte conditie die de winter niet overleefden? Is de aanvang, de duur en de intensiteit van het verstervingsproces vastgelegd? Hoe verliep dit precies, wanneer trad bewustzijnsvermindering en bloeddrukdaling op en hoe lang duurde het voordat de dood intrad? Was de hoofdoorzaak alleen een slechte conditie of speelden ook andere factoren een rol? Wat staat tegenover de verstervingsdood? Heeft een andere dood alleen maar voordelen, zoals tegenstanders van het versterven ons willen doen geloven? Hoe verliep de conditie van de dieren die de winter overleefden? Treedt er dichtheidsafhankelijke regulatie op? In welke mate zijn deze dieren in de gelegenheid om natuurlijk gedrag te vertonen? Hoelang zogen koeien bijvoorbeeld hun kalf en hoeveel tijd besteden kalveren aan spelgedrag?

Ik heb zolang dit debat gaande is, dit soort feiten veel te weinig gezien. Wil je als organisatie draagvlak krijgen voor de dingen die je doet, dan begint dat bij een zorgvuldige verzameling van dergelijke feiten die vervolgens in begrijpelijke taal naar diverse doelgroepen moeten worden doorgesluisd.

Nu is Staatsbosbeheer geen onderzoeksorganisatie en het gaat hier om een publiek belang. Daarom zou het de minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid sieren als hij in de besteding van de onderzoeksmiddelen die hem ter beschikking staan ook nadrukkelijk ruimte zou maken voor het ontwikkelen van dit soort kennis. Kennis als beleidsinstrument was immers het motto van minister Veerman van Landbouw. Misschien kan de meevaller in de aardgasbaten voor een deel besteed worden aan kennisontwikkeling betreffende het levensloopwelzijn van grote grazers bij natuurbeheer.

Een ander argument dat minister Veerman nog zou kunnen aanspreken is dat het innovatieve natuurbeleid dat door Staatsbosbeheer in de Oostvaarderplassen wordt ontwikkeld, een belangrijk exportproduct kan worden. Nu al worden de Oostvaardersplassen jaarlijks door tientallen buitenlandse delegaties uit Europa en een enkele keer zelfs uit de Verenigde Staten en Japan opgezocht. Ze komen om te zien hoe met natuurlijke processen de natuur opnieuw tot ontwikkeling kan worden gebracht en ook verdwenen soorten kunnen terugkeren. Ook vanuit dat perspectief wordt het hoog tijd dat het natuurbeleid in de Oostvaardersplassen met onderzoek wordt ondersteund, zodat we op termijn op basis van wetenschappelijke feiten kunnen evalueren of dit natuurbeleid ook past in de postmoderne samenleving. Zonder iedere winter opnieuw onder vooral emoties bedolven te worden.

Hans Hopster

Welzijn van Dieren aan de Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden. Tevens onderzoeksleider dierenwelzijn aan de Universiteit Wageningen en het Research Centre in Lelystad.

    • Hans Hopster