Breedgeschouderd en bedauwd

'Het dankbare Westland' eerde in 1931 pastoor Franciscus Verburch met een standbeeld. In de 17de eeuw zou de pastoor tijdens zijn bezoeken aan de schuilkerken in Westlandse boerderijen niet alleen het katholieke geloof, maar ook de kneepjes van de druiventeelt hebben verspreid. Historici trekken nu zijn verdiensten voor de druiventeelt in twijfel. Er bestaan geen bewijzen van en de druiventeelt in het Westland kwam eerst in de 19de eeuw tot bloei. Het eerbetoon aan de 17de-eeuwse pastoor zien ze als een uiting van de behoefte aan grote voorvaderen tijdens de katholieke emancipatie.

Ten tijde van de onthulling van het standbeeld door Ruys de Beerenbrouck, minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw én katholiek, was de Westlandse druiventeelt bijna op zijn hoogtepunt. Vlak voor de oorlog teelden de tuinders 12 miljoen kilo druiven. Nu is dat nog maar 60.000 kilo, waarvan de helft door liefhebbers of semi-liefhebbers: professionele tuinders die voor de aardigheid nog wat druivenstokken hebben staan.

Aanvankelijk werden de druiven geteeld in de beschutting van daarvoor opgetrokken druivenmuren. Het zeer gematigde zeeklimaat vlak achter de duinen bood de juiste weersomstandigheden. Later, vanaf de 19de eeuw, kwam de teelt in kassen, de serres, in zwang.

Glazen stad

Van lieverlede is de druiventeelt bijna geheel verdwenen. In de glazen stad zijn de druiven verdrongen door paprika's en bloemen. Die zijn profijtelijker en minder arbeidsintensief te produceren. Dat zo'n mooi, milieuvriendelijk geteeld en smakelijk streekproduct het onderspit zou moeten delven, is voor de stichting De Westlandse Druif een onverdraaglijke gedachte. Met de Druiventuin in Monster, een productie- en voorlichtingscentrum, en ondersteund door eigentijdse promotie- en marketingtechnieken, moet de druiventeelt voor het Westland worden behouden.

Op zaterdagochtend is de Druiventuin te bezoeken. Niet alleen zijn er druiven te koop in mooie houten en spanen kistjes, ook de kassen zijn te bezoeken en aan de druiventeelt verknochte tuinders delen graag hun kennis en ervaring. De druivenstokken vormen driehoekige gewelven van bladeren, waar het licht geelgroen doorheen filtert. Breedgeschouderde, bedauwde trossen hangen met nobele allure in het gelid. Vier klassieke rassen worden er geteeld. De Frankenthaler en de Black Alicante zijn beide blauw. De Golden Champion is een witte druif, net als de Muscaat van Alexandrië, een naam die klinkt als de titel van een Oosterse vorst.

De druiven staan in kassen die deels worden gestookt, zodat er ruim een half jaar lang, van juni tot en met december, wat te oogsten valt. De druiven zijn 'gekrent' (uitgedund) door vrijwilligers. Ze hebben eer van hun werk, de trossen zijn welgevormd en voorzien van het gave waslaagje dat de druiven een bedauwd aanzien geeft.

Commercieel gezien is de teelt eigenlijk niet meer lonend. Ondanks de inzet van vrijwilligers zijn de Westlandse druiven nog steeds duur. Een kistje van twee kilo moet 17 euro kosten. Bij een hoofdstedelijke groente- en fruitwinkelier zijn de prijzen nog veel hoger, waarmee hij zijn bijnaam 'de groentejuwelier' waarmaakt.

Het eten van de Westlandse druif is een sensueel genot. Alleen al het van de archetypisch gevormde tros plukken van zo'n bedauwde druif. Daarna is het half zuigend, half bijtend genieten van het rijke, sappige zoet. Of pastoor Verburch er nu wel of niet de hand in heeft gehad, op deze druiven rust Gods zegen.