Weer is daar de fatale vader

Niemandsbruid, de laatste roman van de vorige week overleden Louis Ferron, eindigt met een brief van de filosoof Arthur Schopenhauer. Daarin lezen we: `In wezen zijn wij iets wat niet had moeten zijn. De gang van het rad van Ixion wordt onderbroken, het slavenwerk is gedaan. De tijd zal ook deze wonde helen en wij doen er in dergelijke gevallen goed aan ons daar niet tegen te verzetten. Vóór alles moet het ons duidelijk zijn dat onze droefenis en ons geweeklaag de gestorvene op geen enkele wijze van dienst kunnen zijn. Evenmin als onszelf'.

De tekst, die bij wijze van `troost' wordt aangeboden, is letterlijk afkomstig van Schopenhauer of – waarschijnlijker – door Ferron uit Schopenhaueriaanse uitspraken en ideeën samengesteld. Citaten, pastiches, persiflages, zonder dat meteen het verschil opvalt, zijn altijd zijn fort geweest. Tegelijkertijd leest de brief onwillekeurig als een vermaan van gene zijde, afkomstig van de dode schrijver en bedoeld voor zijn verdrietige lezers: jullie gaan toch niet opeens valse illusies koesteren, alleen omdat ik gestorven ben! De roman, die aan de brief vooraf gaat, geeft daar ook geen aanleiding toe. Wat niet wil zeggen dat het een slechte roman zou zijn. Integendeel.

Toepasselijk is de roman in ieder geval, al dan niet zo bedoeld. Want hij is toegeschreven naar de dood van de hoofdpersoon: Adele Schopenhauer, de negen jaar jongere zus van de filosoof. Aan het eind van haar `levensbiecht', afgelegd tegenover haar vriendin Sibylle Mertens-Schaafhausen, zijn we via de pen van deze Sibylle getuige van haar sterfbed, dat misschien geen vervulling, maar wel een welkom eind vormt van een ongelukkig en onbevredigd gebleven leven. Sibylle, tot wie ook de brief van broer Arthur is gericht, situeert haar vriendin niet ten onrechte op het grensgebied waar `treurnis' en `zinloosheid' in elkaar overgaan.

Levensbiecht

Voor een schrijver als Louis Ferron is dit materiaal waarmee hij uit de voeten kan. In zijn ervaren handen pakt Adeles levensbiecht uit als een inderdaad diep treurig, nu eens hilarisch, dan weer pathetisch, maar in laatste instantie toch ook zeer aandoenlijk portret van een personage aan de rand van het wereldtoneel – een plek die Ferron wel vaker voor zijn helden heeft opgezocht.

In grote lijnen worden de historische gegevens gevolgd (zoals ze onder meer voorkomen in Rüdigers Safranski's Schopenhauer-biografie): de dood door verdrinking van de vader, vermoedelijk zelfmoord, toen Adele acht was, de verhuizing samen met moeder Johanna naar Weimar in 1806, de omgang aldaar met Goethe en de vriendschap met diens latere schoondochter Ottilie, en de enkele, telkens op niets uitgelopen hele of halve verlovingen van Adele, die uiteindelijk haar dagen zal slijten als vriendin of `gezelschapsdame' (zoals het bij Ferron heet) van de weduwe Sibylle.

Adele moet een foeilelijke vrouw zijn geweest, maar ook een vrouw met vele talenten. Zij liet een klein oeuvre na van gedichten, sprookjes, romans en dagboeken, en zij blonk uit in de Scherenschnittkunst oftewel de silhouettenknipkunst. Verder bestond haar talent uit liefhebben, als we Ferron mogen geloven, maar daar bleek minder emplooi voor te zijn: haar liefde bleef keer op keer onbeantwoord.

Ferron zou Ferron niet zijn, als hij de zaak niet een beetje had opgesmukt. Een overdrijving hier, een knaleffect daar. Het geheel is wat smeuïger en smakelijker gemaakt, minder verheven en sereen, aardser en broeieriger. Zo krijgt de vriendschap met Sibylle nauwelijks verholen erotische trekken en ook substituut-vader Goethe lijkt zich niet tot enkel vaderlijke gevoelens te beperken zodra het om Adele gaat, maar het klapstuk blijft toch de troebele relatie met broer Arthur.

Veel contact is er niet tussen broer en zus. Door hem werd zij, naar eigen zeggen, hooguit beschouwd `als een exotisch insect dat je ooit nog eens de vleugels zou uittrekken als je in je nieuwsgierigheid geen andere objecten meer kan bedenken'. Die vleugels worden tenslotte alleen in figuurlijke zin uitgetrokken, dankzij de verbeelding van Ferron, die een bizarre incestueuze ontmoeting tussen beiden arrangeert.

Samen met haar vriendin Ottilie heeft Adele (Weimar is nog bezet door de Fransen) een gewonde Pruisische officier onder haar hoede genomen, en zij is verliefd op hem geworden. Eveneens op gezag van Ferron moeten we aannemen dat zij het bed met hem heeft gedeeld, waarna zij ontredderd troost zou hebben gezocht bij haar broer, die zich vervolgens in een zeldzaam moment van `herkenning' aan haar zou hebben vergrepen. Zelf had zij gehoopt op `vaderlijke' genegenheid – een misverstand met ernstige gevolgen, want weldra blijkt zij zwanger te zijn.

Mede omdat onduidelijk is van wie, roept Adele de `geheimraad' (zoals `vader' Goethe steevast genoemd wordt) te hulp, en in een groteske faustiaanse scène is hij het die haar op gruwelijke wijze aborteert – althans zo gebeurt het in Adeles fantasie. Die fantasie speelt haar wel vaker parten, wat Ferron alle gelegenheid geeft de lezer enig zand in de ogen te strooien. Adele heeft het niets voor niets over haar `geheim', een geheim dat dit lelijke vlindertje voorgoed het vliegen zal verhinderen en dat voor de lezer iets te raden overlaat.

Zwaarmoedigheid

Psychologisch klopt het allemaal weer wel, want telkens is er op een fatale wijze sprake van vader en vaderschap. Het is duidelijk dat Ferron alle ellende van de kinderen Schopenhauer wenst toe te schrijven aan hun suïcidale papa, van wie zij volgens hun gehate, standsbewuste moeder de beschamende koopmanszeden hebben geërfd en volgens Adele de `zwaarmoedigheid'. Over het gedoemde leven van Adele ligt de schaduw van haar vader. Broer Arthur heeft er zijn pessimistische filosofie uit gebrouwen, bij haar is de schaduw als het ware naar binnengeslagen, waar hij haar vermogen tot liefhebben dwarszit en haar eenzaamheid versombert.

Deze hopeloze Vatersuche (bij Ferron geen onbekend thema, zoals iedereen zal begrijpen die de biografie van de auteur, zoon van een gesneuvelde Duitse soldaat, kent) zou je de verborgen rode draad kunnen noemen van de roman. Maar je leest Ferron niet allereerst vanwege de psychologie. Het is de uitbundige stijl waaraan Ferrons werk zijn Schwung en zijn kleur ontleent, een stijl waarin het pessimisme een poëtische schoonheid krijgt (`Vanaf zeker moment is men losgeslagen en dienen alle metaforen nog slechts als de leestekens in een aan niemand gerichte brief') of waarin onverwachts een ironische poëticale boodschap opduikt (`Of de wereld nu van aanschijn verandert of niet, naar de bliksem gaat-ie toch en dus doet men er maar het beste aan de zwakzinnigen troostend toe te spreken en de weldenkenden zand in de ogen te strooien'), al kan Ferron natuurlijk ook het ongegeneerde schmieren niet laten: `Toch, Sibylle, heb ik vanuit de diepten van mijn vertwijfeling nog één keer omhoog proberen te klauteren. Nog één keer heb ik mijn nagels in de steil oprijzende rotswanden van mijn toekomst geslagen'.

Niemandsbruid speelt zich af tegen het veel bredere decor van de Duitse geschiedenis: in het bijzonder de Napoleontische oorlogen, toen Bonaparte als `tijdgeest' te paard (volgens Hegel was het overigens `wereldgeest') de Duitse eenheid hielp bevorderen door al die honderden staatjes op te ruimen. Bovendien heeft Ferron zijn vertelster een merkwaardig soort alwetendheid verleend, zodat zij af en toe ook een blik op de toekomst mag werpen, op het darwinisme, op het marxisme, op de grondwet van Weimar, op het KZ Buchenwald – net zoals zij tot twee keer toe een voorgevoel heeft van Joyce's Ulysses, waarvan het wellustige `ja' in Molly Blooms slotmonoloog het contrapunt vormt van Adeles amoureuze versterven.

Hoewel Ferron zijn laatste roman in veel opzichten het karakter heeft gegeven van een bescheiden Kammerspiel, ingetogen voor zijn doen in weerwil van enkele kleine uitspattingen, laat hij indirect toch iets oplichten van de hele thematiek van zijn oeuvre, waarin Duitsland én het literaire spel zo'n cruciale plaats innemen. Daardoor is Niemandsbruid niet alleen een meedogend Denkmal geworden voor een goeddeels in de coulissen van de historie verdwenen personage, maar ook een suggestieve samenvatting en passende apotheose van zijn eigenzinnige, geobsedeerde en intrigerende schrijverschap.

Louis Ferron: Niemandsbruid. De Bezige Bij, 253 blz. €18,50

    • Arnold Heumakers