Schrijf toch weer brieven

Wie begint te lezen in deze bundel met honderd ultra-korte verhalen zal waarschijnlijk in eerste instantie moeten denken aan Garrison Keillors kronieken uit Lake Wobegon. Kleine gebeurtenissen in een stadje, in dit geval in de staat New York, die onderhuidse spanningen in de kleine gemeenschap naar boven brengen. Die hebben vaak te maken met studenten van het college dat in het stadje gevestigd is, met burenruzies of bizarre misverstanden.

Maar na een klein dozijn verhalen begint de verteller, wiens eveneens fictieve biografie vermeldt dat hij werkloos is en `een buitensporige hoeveelheid tijd besteedt met uit het raam staren naar de weg en de bossen en de boomgaard aan de voet van zijn heuvel', erg te lijken op die rare oom die je graag op zijn schoot nam en die spannend kon vertellen maar wiens verhaaltjes altijd rare wendingen namen. Wendingen die je meestal niet begreep en die soms zelfs een beetje bang maakten.

De verhalen worden, zonder verdere stilistische kunstgrepen, dikwijls verteld in de stijl van faits divers in het lokale krantje – zij het dat de optiek steeds die van de auteur is en dat er doorgaans een wrange, soms griezelige twist volgt. Zoals in het geval van de systeembeheerder, een vriend van de verteller, die wil proberen de gevolgen van een twintig uur durende storing in het e-mail verkeer te herstellen. Zijn baas tracht hem vergeefs over te halen die communicatie-massa als verloren te beschouwen maar de arme systeembeheerder wordt overweldigd door de gevallen van verbroken relaties, gedwongen ontslagen en verslechterd ziektebeeld die het gevolg zijn van de storing. Hij initieert verzoeningspogingen, stuurt bloemen, tracht recht te maken wat verstoord was. Maar tevergeefs natuurlijk. Hij verliest zijn baan en probeert zijn omgeving over te halen in het vervolg met een ouderwets middel als de brief te communiceren. De slotregel is typerend: `Ik moet tot mijn verlegenheid bekennen dat ons internet en e-mailgebruik onveranderd is gebleven. We zien onze vriend nog steeds af en toe, maar hij heeft nog steeds geen nieuwe baan.'

Het is een patroon dat in veel van de verhaaltjes terugkeert. Goede bedoelingen hebben soms desastreuze gevolgen, gebeurtenissen hebben zich dikwijls totaal anders voltrokken dan op het eerste gezicht lijkt, herinneringen blijken zelden correct te zijn. Tragische misverstanden zijn het gevolg, niet zelden loopt alles geheel uit de hand, maar met zijn wrange visie en onbewogen vertelstijl bereikt Lennon desondanks doorgaans een komisch effect. Sommige van de verhalen zijn intrigerend genoeg en veel lijken zelfs de kiem in zich te dragen van een novelle, of iets van nog langere adem. Een verhaal van anderhalve pagina over een krantenknipsel in een oud bureau op een veiling gekocht heeft zoveel duizelingwekkende mogelijkheden in zich dat je je afvraagt waarom het hiermee lijkt afgedaan. Niet zo'n vreemde gedachte, want omgekeerd zou je kunnen zeggen dat Lennons laatste roman Mailman (in het Nederlands verschenen als Postbode) zonder al te veel moeite samengevat zou kunnen worden tot een van deze korte anekdotes.

De wereld is nooit precies zoals hij eruit ziet, mensen hebben altijd bizarre geheimen en zijn in elk geval zelden de sociale wezens die ze geacht worden te zijn. Lennons visie is er een waarbinnen een aanstekelijk soort naar misantropie neigend pessimisme doorgaans de overhand krijgt. Deze verhalen mogen `met de linkerhand' geschreven zijn, ze passen geheel in het naar het morbide neigende, maar volstrekt eigenzinnige oeuvre van deze auteur. Mijn enige bezwaar is dat hij met zijn streven naar een honderdtal die linkerhand iets heeft overspeeld. Als de twintig zwakste verhaaltjes geschrapt waren was deze bundel nog sterker geweest.

J. Robert Lennon: Pieces for the left hand. Granta Books, 213 blz. €18,95